Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
English
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (SoranĂ®)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
[fluitende vogels]
HĂ©!
Hallo.
HĂ©.
Warm, hè? Het zal veel gemakkelijker zijn als de brug er is.
De brug? Welke brug?
Ik heb me laten zeggen dat er hier 'n brug over de Schelde komt.
Er zal nog veel water voorbijstromen voor dat gebeurt.
Maar ik heb het gehoord.
Als dat zo is, gooi ik je in het water.
Hier.
Zeg tegen je bruggenmakers dat ze met mij te maken krijgen.
Met de deken van de Waterhoek.
Met deken Broeke.
[instrumentale intromuziek]
[intromuziek stopt]
Daar zijn ze! Daar zijn ze! Ik zie ze!
Echt waar? -Nu al?
Ja, ik zie ze daar! Ik zie ze! Kom kijken!
Ze zijn vroeg dit jaar.
Kom, moeder. Vader is er.
Ze zijn er! Ze zijn er!
Geef hier! Dat is van vader!
Vooruit, moeder! Sieper is er!
Daar zijn ze.
Vader. Daar zijn ze. [zacht gezang]
Ik zie ze allemaal.
Ik zie Sieper. Sieper loopt op kop.
[allen] Verdorie, het is waar! Het is zover! Ze zijn er al!
Is onze Jules erbij? -Nou en of. En zat dat hij is.
Hij zal er alles van weten.
Papa. [gezang]
[mondharmonicaspel]
Jenny, kom.
[gezang, gepraat]
Alles goed?
Daar ben je dan. -Ja, vader.
Welkom thuis. -Ik ben blij dat we er zijn.
We zijn negen uur onderweg geweest. De trein stond nog in Rijsel.
Heb je geen honger? -Dag, Sieper, jongen.
Ik denk dat hij meer dorst heeft. -Dat kun je wel zeggen. Kom.
Het eerste rondje is van mij. Horen jullie dat? Van Spikkerelle.
Dat is ook de eerste keer.
Zeker een offerblok opengebroken. -Breng hem niet op het idee.
Hij zou het nog durven ook. -Ja, zeker.
Ha, die Spikkerelle. Ook één voor mij. Een dubbele.
Doe mij maar een borrel.
[getok]
Toch gekomen? -Ga zitten.
Je doet me toch niet tekort, hè?
[muziek, huilende baby]
[getok]
Smeerlap. Dat is van mij.
Werk jij je maar eens vier maanden uit de naad. Zij zullen het wel verdelen.
Alsof wij niet werken. -Ja, ja, ja.
Mijn Jefke. Wat ben jij groot geworden. Kun je al lezen?
De zuster staat aan de poort van de school. De weiden zijn groen.
Bravo, Jefke. Zo word je nog chef de bureau.
[hard gelach]
Ik wacht nog op mijn loon. -Ja, straks.
Hoe was het? -Hetzelfde als anders. Merci.
Jagen en beulen. Maar het werk is af.
Dus je bent blij dat je thuis bent? -Reken maar.
Geen problemen gehad? -Nee.
Ja, met Franske daar. In het begin was hij liever lui dan moe.
Maar ik heb hem gauw getemd.
HĂ©, Sieper, heb je het gehoord van de brug?
Zijn ze daar nog steeds mee bezig? -Ze zijn er nog maar net aan begonnen.
Laat ze maar kletsen. Zeggen en doen zijn twee.
Ja, maar het is al in de gemeenteraad besproken.
Dat wil zeggen dat ze in het dorp geld willen verdienen ten koste van ons.
Ten koste van de Waterhoek. Maar dat zal niet gebeuren.
Zeg, Sieper, de landmeters zijn ook al geweest.
Waar? -Aan de Schelde.
Hebben ze gemeten? -We hebben ze allemaal weggejaagd.
Ik heb er met stenen en turf naar gegooid tot ze vertrokken.
Waar of niet, jongens? -Ja.
Snoeke heeft ze helemaal alleen weggejaagd en wij stonden er maar wat.
[geroep, gelach]
Daar kun je nog problemen mee krijgen. -We staan in ons recht.
Ze komen ons hier lastigvallen op ons eigen land.
We hebben geen brug nodig. Zo is het prima.
We doen het ons hele leven al zonder brug. Ze moeten ons met rust laten.
Goed gezegd.
Ze willen ons van ons land verjagen, de rotzakken. De Waterhoek is van ons.
Ja, ja.
Als ze in Brussel of in de gemeenteraad denken…
…dat ze kunnen doen wat ze willen…
…en onze Waterhoek kapot kunnen maken met hun brug…
…dan hebben ze het mis.
Alle kosten zijn al berekend.
En wat krijgen wij van al dat geld? -Geen frank.
Ze speculeren ten koste van ons.
Zolang ik leef, komt er hier geen brug.
We zullen ze eens laten zien wie er in de Waterhoek woont.
Geef de veldwachter nog iets.
Geef mij ook nog maar iets.
Geef ze allemaal nog iets.
Dat ze allemaal in de Schelde verzuipen.
Allemaal gekonkelfoes en politiek. -We zullen ze eens een lesje leren.
[gezang]
Vooruit, kom.
Saluut.
Saluut!
Toe nou. -Ja, ja.
[gemompel, deur valt dicht]
Dag, Treute, m'n jongen. Hoe gaat het ermee?
[gemompel]
Ja?
[gegiechel]
Vooruit, laat hem met rust.
Een kopje koffie? -Doe maar.
Dat doet deugd.
We hebben problemen gehad.
Daar heb je geen idee van.
Alle vuile karweitjes die de Fransen lieten liggen, waren voor ons.
Voor de Vlamingen.
En als het je niet aanstaat, kun je vertrekken.
En je kunt er niks tegen doen.
Wat zou je kunnen doen?
Op je tanden bijten. -Vergeet het toch. Nu ben je thuis.
Ja, ja.
Wel, wel, wel.
Kijk eens aan. Wie we daar hebben. -Dag, oom.
En, krijg ik geen kus?
Maar natuurlijk, oom.
Dus je bent teruggekomen.
Je hoeft je niet te verstoppen. Laat je eens zien.
Je schaamt je toch niet voor mij?
Schei uit, Sieper, kalm aan.
Jij, sloerie. Naar je bed. [vrouw]
Hoe lang ben je weggebleven? -Een jaar en twee maanden.
En al die tijd in Parijs.
Paris, toujours l'amour.
Maar oom toch.
Hoor je niet wat ik zeg? -Moet ik gaan staan?
Ze lijkt steeds meer op haar moeder.
Geen woord over haar moeder zolang ik hier de baas ben.
Ze is weg en ze blijft weg.
En wat ze achtergelaten heeft, die Mira, daar zullen we voor zorgen.
Maar ik wil er niks over horen.
Maak je niet zo kwaad. -Kwaad maken?
Met zo'n sloerie. Ze maakt ons te schande.
Ze blijft hele nachten weg met alle mannen uit de buurt.
Wat doen we eraan? [gegiechel]
Er valt niks aan te doen. Zo is de natuur, wat wil je?
Waarom is ze teruggekomen?
Ze heeft toch geen souvenir meegebracht zoals haar moeder?
Ze kent ze wel wat trucs om dat te voorkomen.
We zullen nooit weten wat ze allemaal geleerd heeft in Frankrijk.
Geef me nog maar een borrel. -Nee, het is te laat. We gaan slapen.
Vooruit dan. Dat is ook het beste.
[klap op achterwerk]
Wat nu weer? -Ik heb nog niet gegeten. Ik heb honger.
Als je kwaad bent op mij, waarom sla je hem dan?
[geroep van de overkant]
Vervelend, hè?
Charlatans. [gelach]
HĂ©!
Kom eens goedendag zeggen!
Moeten jullie niet aan onze kant komen meten?
Kom eens hier.
De rijkswachters doen het in hun broek van angst.
Rechter.
Eén drieënveertig.
Wij zullen jullie wel eens meten.
Kom maar hier of durven jullie niet?! -HĂ©!
Als ze zich niet gedragen, ga ik erheen. -Kalmer. Kalm.
Mijn handen jeuken om ze eens aan te pakken.
HĂ©, Cies!
Als je je mensen niet wat kalmer houdt, gaat het er nog hard aan toe.
Vooruit, Cies, kalmeer ons eens. -Jullie vragen erom.
Het is menens, hoor. -Doe niet zo stom.
Je zult het misschien niet graag horen…
…maar toch vind ik dat zo'n brug hier misschien nog niet zo'n slecht idee is.
Wat bedoel je daarmee?
Ik begrijp dat je tegen die brug bent, maar je moet 't van twee kanten bekijken.
Er zijn hier geen twee kanten.
Al wat ik weet, is dat ze hier door onze Waterhoek…
…niet alleen een brug gaan leggen, maar ook een grote weg…
…en dat ze onze huizen gaan afbreken…
…en dat vreemde mensen over ons de baas gaan spelen.
Als dat is wat je wilt, zeg het dan.
Zeg het dan, wat is de andere kant van de zaak?
Nou… -Zeg het dan, Sieper. Wat?
Dat we om te beginnen hier werk zouden krijgen, vlak bij de deur.
Dat we niet meer naar Frankrijk hoeven om ons in het buitenland af te beulen.
Aan de brug? -Dat meen je toch niet, Sieper?
Denk er eens over na. -Moeten we daarover nadenken?
Kijk, daar. Met rijkswachters komen ze de Waterhoek binnenvallen.
Ze staan klaar met geweren en jij wilt er nog eens over nadenken?
Daar zijn we toch niet tegen opgewassen. Er zit veel geld achter.
Wat zij zeggen dat gebeurt en anders niet.
Is het ooit anders geweest?
Moet je hem horen.
[getoeter]
Wil je dan aan de rokken van je vrouw hangen?
Als wij het niet doen, zullen anderen, vreemden, het doen.
Dit soort fijne meneren zullen hier komen met hun stadse manieren.
Zolang ik deken ben, komt er niemand aan de Schelde.
De eerste die aan de brug helpt, sla ik de hersens in.
Dag, mannen. Hoe gaat het hier op de Waterhoek?
HĂ©, Broeke, de notaris vraagt hoe het gaat.
Slecht, meneer de notaris, en dat weet u heel goed.
Bedoel je de brug? Dat wijst zichzelf wel uit.
Jij bent ook een dwarsligger. Je moet er niet zo zwaar aan tillen.
Nou, mannen. Tot ziens.
U kunt niet zeggen dat we u niet gewaarschuwd hebben.
Vooruit, Broeke, doe niet zo mal.
Dag, oom Lander. [tokkende kippen]
Moeder, oom Lander is er.
Ha, Lander.
Dag, Manse. -Dag, broer. [kukelende haan]
Mensen, wat ben je mager geworden.
Krijg je soms geen eten in het leger? -Jawel.
Maar van al die oefeningen val je wel af.
Ik ben blij dat je weer thuis bent. -Ik ook, vader.
Want wat er hier gebeurt… Heb je het gehoord, van de brug?
Laat hem eerst een beetje bekomen. -Je zult wel schrikken.
Laat hem eerst eten. En begin niet weer te klagen over Sieper.
Sieper? Wat is er dan? -Wat die geflikt heeft.
Hij zegt waar iedereen bij is dat die brug wel een goed idee is.
Zegt hij dat dan? -Ja.
Het is een labbekak, die Sieper.
Wat? Is ze teruggekomen?
Zij, ja. Onkruid vergaat niet. -Mira.
Oom Lander is er.
HĂ©. Ik kom. [muziek]
Oom Lander.
Dag, Mira.
Niemand had me dat gezegd. Of geschreven.
Hier ben ik dan.
Twee keer. Op z'n Frans.
Lander, kom hier!
We hebben nog wat te bespreken. -Direct, vader.
En jij gaat naar het schaap. -Direct, grootvader.
En lach niet, dwaze trien. Je bent hier niet in Parijs.
Waarom ben je zo bruut tegen haar? -Ze is van de duivel bezeten.
Ach, kom op. -Drie vriendjes in twee maanden tijd.
Joost mag weten van wie ze dat heeft. -Van jou.
Ik ga kaarten. -Maak het niet te laat.
[fluitende vogels]
Hoe lang nog? -Een tijdje. Niet lang meer.
Kom mee.
[blatend schaap]
Vertel eens iets. [romantische muziek]
Jij moet vertellen. -Ik?
Ik heb niks te vertellen.
Wat moest je doen in het leger? -Kanonnen poetsen.
En oefeningen doen in het zand en in de modder.
En 's avonds?
Naar de cafés. Als ik permissie kreeg.
Wat ben je mooi geworden.
De laatste keer dat ik je zag, was je nog een meisje. Graatmager.
Maar toen dacht ik het al. -Wat dacht je?
Dat zal een mooie vrouw worden. -En verder?
Misschien wel iets voor mij. Als ik terugkom van het leger.
Je hebt zeker veel vrouwen het hoofd op hol gebracht.
Ik?
Ik zie het aan je ogen. -En jij?
Wat ik?
Wat heb jij allemaal uitgespookt in Frankrijk?
Daar wil ik het liever niet over hebben.
Je hebt gelijk. -[geblaat schaap]
Tot straks. Wacht hier.
Is hij niet mooi?
Hij zal niet lang meegaan. -[schaap mekkert]
Waarom niet?
Het is toch een mannetje? -Ja, en die gaan er het eerst aan.
Ik ga je opeten.
[vrolijke muziek]
Doorwerken, Lander.
Zwem. -[gelach]
Zwem dan.
[gegil, gelach]
[romantische muziek]
Er is maar één Lander.
En dat ben jij.
Alleen jij, Mira.
Mira!
Mira, schaam je je niet? Waar iedereen het kan zien.
Wat is er?
Jij sloerie. Met je eigen oom nog wel.
Is het omdat jouw tijd voorbij is?
Jij schandaal. Maak dat je wegkomt. [Mira lacht]
Goed, we gaan al. Als het hier niet mag, doen we het ergens anders.
Ja, niet meer onder mijn dak.
[getik hamer]
Hier komen de rooilijnen van de weg. Zes meter.
Dan vijf meter zand ophogen voor het voetstuk.
Ja, tot daar is voldoende.
Hij houdt ons voor de gek.
Hij bekijkt ons niet eens.
Pretmaker!
Strozeiker! -Smeerlappen!
Rattenkop! -Neuzenmaker!
Dat zal jullie leren!
Houden jullie er nu mee op?
We komen hier ons werk doen.
Of moeten we de rijkswacht meebrengen? -Ja, breng ze maar mee. [boegeroep]
Hoor hem eens. -Willen jullie problemen?
Goed mannen, het is mooi geweest voor vandaag.
Ik heb zes bruggen gebouwd, maar ik heb nog veel meer blauwe ogen geslagen.
[boegeroep]
Opschepper.
En de wet staat achter ons, vergeet dat niet.
Je kunt de wet toch niet tegenhouden.
Vooruit, sneller.
Kom op, mannen. -Sneller.
Als ik erbij was geweest, had ik hem er flink van langs gegeven.
Zeker weten.
Jij geeft liever Mira ervanlangs. -Dat zal wel.
Kijk daar eens. Stadsvolk. [deur gaat open]
[gehoest]
Wat zal het zijn, meneer Maurice? Een borreltje?
Doe maar.
Dag, heren. -Twee borreltjes.
Ratje, twee klaren.
[gezucht]
De heren komen zeker niet uit de buurt. -Nee.
Zijn jullie soms van de brug? -Ja.
U ook, meneer…? -Ja, ik ben de ingenieur.
Tjonge, tjonge. De grote man van het gebeuren. [gelach]
En jij? Wie ben jij?
Ik? -Ja, jij.
Ik ben Lander, de zoon van Broeke, de deken van de Waterhoek.
En hoe heet u, meneer de ingenieur? -Maurice Rondeau.
Trakteert u niet, meneer Maurice?
Ja, voor de eerste keer dat u in de Meersblomme komt.
Nou.
Maar natuurlijk, waarom niet?
Ratje, een rondje van meneer Maurice.
Nou, proost. -Proost.
[gehoest]
Alstublieft.
Dat bent u niet gewend, hè? -Het is zelfgestookte.
Dat verbrandt je ziel.
Hier, betaal maar.
Tot ziens allemaal.
Wacht even, ik ga met u mee. -Nee, laat maar.
Zo iemand is meer jouw type, hè? -Hij zag er heel serieus uit.
Een serieuze droge haring.
Waarom vallen jullie vreemden altijd lastig?
Jij komt ons lastigvallen.
Luister, die brug komt er toch. Het is voor jullie eigen bestwil.
De hele streek wordt gemoderniseerd. -Maak dat je wegkomt.
Dan moet je het zelf maar weten.
Maar meneer Maurice, u bent kletsnat. Straks vat u nog kou.
Ga maar gauw naar binnen bij het vuur.
Goedenavond. -Goedenavond.
En meneer Maurice, speelt u een partijtje mee met ons?
Nee, dank u.
[spannende muziek]
Verdomme. -Wat nu weer?
Wacht. -Stil.
Wat is er? Wil je achterblijven of wil je terug naar huis?
Nee. -Hou je dan koest.
Verdomme, daar zijn ze. -Lang moeten we ze niet meer zien.
Jullie zijn er ook vroeg bij. -Jullie ook.
HĂ©, hoge piet. -Wat is er, man?
Ik zeg u goedendag, meneer.
Ook goedendag.
[muziek wordt luider]
[geschreeuw]
Smeerlappen.
Weg hier. Eruit. Uit onze boot.
Kom hier.
Smeerlappen. -Meneer de hoge pieten.
Hier, smeerlap.
Hier. -Godver… [kreet]
Smeerlap.
Kom hier. -Nee.
[muziek]
Tette, waar zit je?
Tette! Tette!
Stil.
We moeten eerst die lui vinden.
Ik heb hem 'n stomp in zijn buik gegeven. Hij is zeker verzopen.
Die dikke ook. Hij zonk als een baksteen.
Kom, Lander, we gaan. Het zit erop. -Nee, we moeten er zeker van zijn.
Je ziet geen steek met die mist. Verdomme.
Zie jij iets? -Nee.
Tette.
Zie je ze? -Nee, ik zie niks.
Luister.
Nee, hier is het. [fluisterend]
Hoor je iets?
Daar! Daar zit hij, de smeerlap!
Tette, we hebben er een. Kom.
[gekreun]
Ik heb jullie toch niks misdaan?
En nu? Wat nu? -Nu die andere nog, wat dacht je?
Hierheen. Kom hier, ik hoor iets.
Nu hoor ik niks meer.
Vissen jullie zo op paling?
En wat dan nog? -Wat doet u hier?
Ik wil naar de overkant.
De zon komt er niet door, zou je zeggen. -Zeker.
Daar bent u dan.
Moet ik niet betalen?
[kreet]
Wanneer kom je terug? -Dat zullen we wel zien.
Misschien morgen al.
Ze kunnen me toch niks maken. -Je kunt ook hier blijven.
Het is het veiligst om een tijdje weg te blijven.
Je weet maar nooit.
[fluitende vogels]
Kom eens, de rijkswachters zijn er.
[klepperende hoeven]
[geklop]
Heren, is er iets gebeurd? -Iedereen buiten.
Vooruit, jij. Buiten.
Vlug, naar buiten.
Waar is uw zoon Lander? -Hoezo?
Mijn broer heeft niets gedaan. -Hij is niet thuis.
Waar is hij dan? -Dat is uw werk.
Dat moet u zelf maar uitzoeken.
Met welk recht valt u de mensen lastig in hun eigen huis? En waarom?
Dat weet je heel goed. -Ik weet van niks.
Mama, hij slaat me. -Wil je ze eens met rust laten?
Als je Lander wilt hebben, moet je het hele bos afzetten.
Of je kunt in Frankrijk gaan zoeken. -Allemaal stil.
Luister.
Ik luister, maar ik hoor niks. [gelach]
Luister naar de onderzoeksrechter. -Waarom?
Die heeft hier niks te vertellen. -De eerste die zijn bek opendoet…
…die nemen we direct mee. [gejoel]
Hij is onschuldig zeg ik.
Hij is geen moordenaar. -Dus u bent de moeder van een van hen?
Uw rotzak van een zoon heeft mij willen vermoorden.
Meneer, bedaar wat. -Smerig wijf.
Wat heeft u te zeggen? -Niets, laat haar met rust.
Ik ben de deken van de Waterhoek, spreek tegen mij.
Houd uw mond of we sluiten u ook op. -Dat zullen we nog wel eens zien.
Waag het eens. [gejoel]
De andere is ook gevlucht.
Hiep, hiep, hiep. Hoera. [gejoel]
Is het nu afgelopen?
Mensen van de Waterhoek, jullie moeten eens ophouden…
…met het Belgische recht te spotten. Hebben jullie dat begrepen?
[kukelende haan]
Daarom vraag ik u nu serieus: Waar zijn ze?
Jij, met je rode haar, wanneer heb je die moordenaars voor het laatst gezien?
Ik? Ik ken geen moordenaars.
Goed dan, zoals je wilt.
Maar begrijpen jullie dan niet dat het hier om een dubbele moord gaat?
En dat het onze plicht is… -Doe dan uw plicht en ga ze zoeken.
[rumoer]
Wat zei je daar?
Zei je daar iets, ventje? -Ik praat toch duidelijk genoeg?
Ik zeg dat jij goed betaald wordt door de staat om je werk te doen.
Doe je werk en vertrek. -Kom jij maar eens mee. [rumoer]
Laat niet met je sollen. -Je vergeet zeker waar je bent?
Wat gaan we doen, Broeke? -Gaan we ze pakken?
Dat hangt van de rechter af.
Mensen, jullie hebben het gehoord. We zorgen ervoor dat de wet nageleefd wordt.
En denk maar niet dat jullie meer zijn omdat jullie uit de Waterhoek komen.
We maken er een eind aan, begrepen?
VoilĂ .
VoilĂ . -Jij blijft hier. [gelach]
Van Daele en Kozijns. Kozijns, jij naar de klok.
Julie en Sassens, naar de herberg.
[fluitmuziek]
[fluitmuziek stopt]
[fluitmuziek gaat verder]
[muziek stopt]
[gekoer]
[gekoer wordt nagedaan]
Cyriel, ben jij dat?
Cyriel.
[gekoer]
Ik dacht het meteen: Dat kan alleen maar Cyriel zijn.
Hoe gaat het? -Het is woensdag.
Nee, dinsdag. -Bedankt.
Heb je niks te eten bij je? -Nee, we zijn in de vasten.
Je hebt niet gebeden. -Nee.
Begin eraan.
Welk gebed? -Een weesgegroetje.
[mompelend gebed]
Goed zo.
Wil je mijn tweeloop?
Nee.
Toch bedankt, Cyriel.
Heb je de anderen gezien in het bos? -Ja.
Tette, bij de kruisboog. Hij zat onder een eik.
Als ik gewild had, had ik hem zo dood kunnen schieten.
En die rijkswachters maar denken dat we in Frankrijk zitten.
Je hebt iets slechts gedaan, Lander. -Dat weet ik.
Ik ben gek geweest.
Maar het is toch een flinke les geweest voor die pretheren.
De schobbejakken.
Ze bezorgen ons alleen maar problemen en ze…
Godverdomme, daar zijn ze.
Wegwezen. Die kant op.
Bedankt, Cyriel. -Ik doe het voor Mira.
Heb je bezoek gehad?
Lander Broeke niet gezien? -Nee.
We komen toch even binnen kijken. -Niemand komt hier binnen.
[lacht] Wil je het uitvechten, Cyriel? -Ja, als het moet.
Dan heb je iets te verbergen. -Het is woensdag vandaag.
Heb je geen glaasje bier voor mij? -Natuurlijk. Kom binnen.
Godver. Daar gaat hij. -[geweerschot]
Ben je nu helemaal?
Wacht maar, Cyriel. Dit zetten we je betaald.
[geweerschot]
[fluitende vogels]
[paard briest]
[klepperende hoeven]
[klepperende hoeven]
[hijgt]
[klepperende hoeven]
[fluitende vogels]
[paard briest]
[klepperende hoeven]
[harde kreet]
Verdomme.
[kreet]
Ons hou je niet voor de gek. We zullen je eens een lesje leren, jij moordenaar.
Stuk tuig. Verdomme. [klappen]
Zo is het wel genoeg geweest. -Bind hem vast.
Hij bloedt uit zijn ogen.
Vooruit, meekomen.
Vooruit, is het nou nog niet duidelijk?
[klepperende hoeven]
Jullie hebben hem. -Hij heeft ons water en bloed gekost.
Ze hebben hem er flink van langs gegeven.
Geef mij ook maar wat te drinken.
Drink maar van de kraan.
Zijn vriendinnetje is er ook. [romantische muziek]
Kom maar wat dichterbij. Je zult hem een tijdje niet meer zien.
Mira.
Ja, Lander.
We zullen elkaar lang niet meer zien. -Dat denk ik ook.
Geef hem nog vlug een kus.
Mira. -Ja, Lander.
Ik ben erbij. -Ja, Lander.
Vooruit, we gaan. We sluiten hem op in het politiebureau van het dorp.
[gepraat]
Een pilsje zonder kraag.
Is iedereen er? -Ik denk het wel, meneer de notaris.
Goed, we beginnen er meteen aan, want ik heb maar weinig tijd.
Jullie weten dat de grond langs de nieuwe weg…
…in percelen wordt verdeeld, die vallen onder de wet van openbaar nut.
Dat betekent dat jullie grond geschat wordt door serieuze mensen…
…en dat jullie dat bedrag krijgen.
Dat wil zeggen dat jullie voor een oud krot…
…een splinternieuw huis krijgen dat drie keer zoveel waard is.
En als ze het drie keer te laag schatten?
En hoe kunnen ze mijn kosten schatten?
Jullie zullen het zo wel begrijpen. -Alstublieft.
Maar we staan toch op straat. -Dit komt ten goede van de Waterhoek.
Dat zijn jullie allemaal.
Ons mooie dorp wordt kapotgemaakt. [rumoer]
Kijk eens.
Jullie kunnen toch kaartlezen?
Dit is de Schelde. Hier komt de brug en dit zijn de percelen.
En al die vreemden dan die hier komen wonen?
Want wie zal hiervan profiteren? -Wat zeggen jullie nou?
Jules, geef iedereen nog iets te drinken. [gepraat]
Ik hou het kort.
Degenen die zin hebben om voor ze van rechtswege verkaveld worden…
…goede zaken te doen en die willen kopen of verkopen…
…die weten me te vinden, jullie weten waar ik woon. Proost.
Ik laat de kaart hier, dan kunnen jullie allemaal eens kijken.
Een eerlijk en serieus voorstel, open en bloot, voor iedereen.
Mogen we er nog 'n nachtje over slapen? -Ja, maar wacht niet te lang. [rumoer]
Slapen? Kijk maar eens wat ik doe met die kaart van u. [gelach]
Dat was een officieel stuk.
Nu kunt u er uw gat niet meer mee afvegen. [gelach]
Als jullie niet willen luisteren naar iemand die wil helpen…
…om jullie uit de armoede te halen. -Wie is er hier arm?
Jullie allemaal. -En u gaat ons rijk maken?
Niet rijk, maar wel beter. -Maar u wordt er nog beter van.
Luister nu eens. -Ja, wat is er?
We kunnen jullie hier ook buiten houden, maar dan verdienen jullie er niks aan.
En wie ertegen is, krijgt ervan langs. -Jullie moeten leren leven als mensen…
…en niet als… -Als wat, meneer de notaris?
Als beesten. -Dat wilde ik horen. [rumoer]
Wij zijn beesten. We zullen u eens behandelen als beesten.
Vooruit, Jef, pak hem vast.
[rumoer]
[gelach]
Trek zijn broek uit. [hard geroep]
Moordenaar.
Ik geef je vijftig frank voor mijn broek.
[gelach, rumoer]
[startende motor]
Beesten, dat zijn jullie.
Kom maar niet meer terug of we smijten u ook in de Schelde.
Laat eens zien.
Wat een lelijk ding.
Als hij in je haar vliegt, word je binnen een jaar gek.
Net muizenpootjes. -Kom, we gaan hem brengen.
Grootvader.
Kijk, een vleermuis voor de koeienstal. Hij leeft nog.
Drie kopspijkers, dwaas.
Zal hij ons geluk brengen?
[muziek]
In de naam van de vader, de zoon en de heilige geest.
Zal de bliksem nu nooit meer inslaan? -Nee.
Jongens, komen eten.
Max.
Ga eens kijken, Max.
Daar, bij de wilg.
[geblaf]
HĂ©, jij daar, wat kom je hier doen?
Ik ben op de wandel. Doe die hond weg. -Af, Max, af. Kom hier.
Weet je dat hij je de strot zou afbijten als ik het hem zeg?
Dus je bent op de wandel en je bent niet op zoek naar Mira?
Wie? -Dat hoerenjong van een Mira.
Ze is niet thuis. Ze is nooit thuis.
Vader, komen eten. -Ja, ik kom.
Ik wil je niet meer zien. Kom niet op Mira jagen in mijn eigen huis.
Je hebt het te pakken.
Net zoals alle anderen.
[romantische muziek]
Zo laat op stap, meneer de ingenieur? -Ja, ik passeerde.
Zomaar? -Ja, zomaar.
Mijn vriendin vraagt of je een glaasje meedrinkt.
Nee, ik heb geen tijd. -Dat is jammer.
Ze zeiden dat je misschien naar mij op zoek was.
Ik? Natuurlijk niet. -Ja, dat dacht ik ook.
Echt? -Ja, jij komt alleen als het regent.
Ja, zeker. -Nou, tot ziens dan.
Ja, tot ziens, juffrouw. -Ken je mijn naam dan niet?
Toch wel. Mira. -Ja, Mira. Van Mirabel.
Saluut.
HĂ©, hop.
[gezang]
HĂ©, hop.
[gezang]
HĂ©, hop.
[gezang]
HĂ©, hop.
Sieper houdt er de fut wel in. -De rotte hond.
Wie had dat ooit gedacht?
Een hele bende. Een hoop schijters.
Wat wil je? Ze verdienen goed hun brood. Ze zijn tevreden.
Er zijn er bij die willen sparen. -Sparen? Waarvoor?
Ze hebben toch een huis en te eten en kleding?
Sparen. Als ze die uit het dorp gaan nadoen…
…en elkaar de ogen willen uitsteken en de grote heer willen uithangen.
Wat wil je? Dat is de vooruitgang.
[klap]
[gezang]
Dat ik die schoft van een Sieper in mijn eigen gezin heb opgenomen.
Manse heeft Lander bezocht en hij huilde als een kind.
Bemoei je niet met onze familie.
Waar moeten we het dan over hebben? Over het mooie weer?
Kijk eens hoe hoog het peil van de Schelde is.
Als het nog 'n paar dagen blijft regenen, kunnen ze er net zo goed mee stoppen.
Dan hoeven ze niet meer te heien.
Hoe bedoel je?
[stromend water in de verte]
[luid stromend water]
[harde kreet]
[kreet]
Help! De dam is doorgebroken!
Help! Help! De dam is kapot!
Hier komen! Vlug een beetje!
Help!
Dat was te verwachten. Het water stond hoog.
Er ligt een mens.
Is hij gevallen?
Wat is er gebeurd?
Het is niet meer te stuiten. Al ons werk is voor niks geweest.
Ze zullen zeggen dat het mijn schuld is.
Hij leeft nog. -Wie is het? Ken je hem?
Is het iemand van de Waterhoek? -Heeft hij het expres gedaan?
Je moet een echte smeerlap zijn of van de duivel bezeten om zoiets te doen.
Die van de Waterhoek zijn allemaal hetzelfde.
Hij ademt regelmatig. -Hij haalt het wel.
Ziezo. -Hij ziet er niet zo best uit.
Lukt het in je eentje? -Ja, hoor.
Het beste.
Ik zou je dood moeten schoppen, zodat het afgelopen is. Vuile smeerlap.
Zo iemand als jij zouden ze moeten radbraken.
Hier is je vader.
[tragische muziek]
Het is afgelopen.
Ik denk voor de hele winter.
Nee, bedankt, Marie.
Je drinkt zeker liever bier of jenever. -Nee, mama.
Drink je thee dan nu hij nog warm is. Je zult er goed van slapen.
Waarom kijk je zo naar mij? -Mag ik je niet aankijken?
Je bent zo zenuwachtig. Wat is er? -Niks.
Zeg het eens. -Er is niks.
Is het een vrouw? Een meisje? -Natuurlijk niet.
Waarom is dat zo natuurlijk? Je bent een hele man geworden, daar bij die boeren.
Goedenacht, mama.
[vrolijke muziek]
En nu…
Kwak, kwak, kwak, kwak. -[gelach]
En nu pikt hij in je neus.
Kwak, kwak, kwak.
Hoerenjong. -Ja, grootvader?
Hoerenjong, geef me een kop soep. -Ja, grootvader.
[zucht] -Je zweet weer.
Moet je niet naar je vrijers? Het is al laat. Ze staan te trappelen.
Ik heb geen vrijers. -Dat is iets nieuws.
Ik heb jou.
Hoerenjong. -Je zegt altijd hetzelfde.
Daar wil ik ook wel mee wandelen.
Moet je deze kant niet op?
[gefluit] O, o, o!
Die zou het mij geen twee keer hoeven te vragen!
Dan moeten we die balken ook aan deze kant leggen.
Kijk eens, Treute. Dat zijn de geleerde mannen. Dat zijn de bazen van de brug.
Zeg eens goedendag, Treute.
Dag, mooie jongen.
En zeg hem ook goedendag. Dat is meneer Maurice.
Dag, Treute.
[gefluit]
[gefluit]
[romantische muziek]
Ik wist dat je zou komen.
Vanavond? -Vanavond.
Je hoeft niet bang te zijn. Ik heb geen hond bij me.
Het zit hier vol muggen. Ze komen altijd bij mij.
Dat komt omdat ik zoet bloed heb. En jij?
En jij moet mij uitkleden.
Is het zo niet beter?
[getik]
Ik moet gaan. [getik]
Waar naartoe? -Naar de brug.
Nu al? -Ja.
Ze zullen me zien. De arbeiders zullen ons samen zien.
Nou en?
[getik]
[getik]
Goedemorgen, meneer Maurice. U bent er vroeg bij, als ik het mag zeggen.
Dat mag je wel zeggen.
Goedemorgen. -Goedemorgen.
Goedemorgen. -Goedemorgen.
Treute, m'n jongen, ze heeft hem aan de haak geslagen.
De baas van het hele gebeuren.
Onze Mira.
Kom maar.
Sst.
Goedenavond, meneer Maurice. Juffrouw.
Wat is er van uw dienst? -We gaan even naar mijn kamer.
Maar ik ken de juffrouw niet en het is… -U hebt toch geen slechte gedachten?
Maar natuurlijk niet.
De juffrouw is mijn verloofde. -Dat is wat anders. Dat wist ik niet.
Neemt u me niet kwalijk. -Dat geeft niet.
[toeterende boot]
Hebt u geen honger, meneer Maurice? -Ik eet straks wel iets in het hotel.
Maar u moet op krachten blijven.
Een jonge vent zoals u zou elke morgen twee geklutste eitjes moeten eten.
[gelach]
Moet je die ouwe daar eens zien. Hij beweegt niet. Net een ooievaar.
Een beetje beleefd, graag.
Nietwaar, meneer Maurice? In zekere zin is die ouwe toch familie van u?
Stelletje grappenmakers.
Ik heb iets meegebracht.
Een cadeautje.
Ben je verdrietig? -Nee.
Ga eens zitten.
Is hij van je moeder? Heb je 'm gepikt? -Nee, gekocht in Gent.
Hoeveel heb je ervoor betaald? -Te veel waarschijnlijk.
Hoeveel? -Drieduizend frank.
Dat is te veel.
Vind je hem niet mooi?
Wat moet ik doen?
Wat je wilt.
Weet je wat er in die doos zit? -Wat?
Nog een cadeau.
Je moet raden. Raad eens. -Een mantel.
Mis.
Ik durfde eigenlijk die winkel niet in. Het stond er vol met vrouwen.
Maar uiteindelijk heb ik het erop gewaagd.
Wat mooi. -Trek het eens aan.
Nu? -Waarom niet?
Goed.
Draai je om.
Nee, met je gezicht naar de deur.
Je hebt gekeken, doe je ogen dicht.
Ik zal je leren.
Hier.
En nu op je knieën. Daar. Voor straf, omdat je gekeken hebt.
Ziezo.
En nu moet je tot vijfentwintig tellen.
Eén, twee, drie, vier, vijf…
…zes, zeven, acht, negen, tien…
…elf, twaalf, dertien, veertien, vijftien…
Als we die bok zo laten invaren, dan kunnen we die overspanning zo pakken.
Een ogenblikje. -Is dat goed?
Over zes weken zit het erop. -Inderdaad en dat is niks te vroeg.
Waar ga je dan naartoe? -Naar Ieper, naar de nieuwe weg.
Dat is niet ver.
En u, meneer Maurice? Ze zeggen dat u in de herfst naar Kongo gaat.
De herfst is nog ver. Nou, saluut. -Saluut.
Oh, ja.
Heb je Mira nog gezien de laatste tijd? -Soms komt ze thuis. [muziek]
Met wie gaat ze nu? -Met iemand uit Roeselare. Ene Becue.
Ik bemoei me er niet mee.
Saluut. -Saluut, meneer Maurice.
Maar wat wil je dat ik zeg? -De waarheid.
Of het waar is of niet van die lichtekooi.
Dat je haar dag en nacht ziet en dat je werk eronder lijdt.
Nee. U nog, professor? -Nee, dank je, Maurice.
Er is dus niks van waar? -Nee.
Je liegt, Maurice. Ik zie het. -Het is geen lichtekooi.
Ha.
Ik ga met haar trouwen. -Zo ver heeft ze het dus al gebracht.
Je beseft niet wat je zegt. -Een slons van de straat.
Bedaar, Anna.
Luister, Maurice. Het is een bevlieging. Dat kan iedereen overkomen.
Je kent de wereld nog niet.
Je maakt je toekomst kapot uit onbezonnenheid.
En voor wie? Voor wat? -We maken er geen woorden aan vuil.
Doe wat je niet laten kunt. Loop blindelings je ondergang tegemoet.
Maar van mij krijg je geen halve frank.
Laat je niet zo meeslepen. -Wil je dan dat ik die hoer onderhoud?
Daar gaat het niet om. -Jawel.
Wat weet jij nou van haar? -Genoeg.
Ze mag je hebben, maar niet het geld.
Ik ben meerderjarig, ik heb er recht op. -Geen halve frank.
Neem maar een advocaat. We zullen wel zien.
Maar ik zal het rekken tot je oud en grijs bent.
[muziek]
Ah.
Woont Richard Becue hier? -Ja, maar hij is er niet.
Hij is naar de kermis in Avelgem. -Bedankt.
Moet ik 'm iets zeggen, meneer Maurice? -Nee, bedankt.
[gemompel]
Dag, meneer Maurice. -Wie van jullie is Richard Becue?
Ik ben Richard Becue. Had u me nodig? -Ja.
Waarvoor? -Dat kun je toch wel raden.
Zeg het maar, meneer Maurice. -Ik wilde je zeggen…
Dat je morgen moet helpen aan het cement.
Dat is veel. Is dat alles? -Ja.
Als er iets is, kunt u het me zeggen. -Nee, dat is alles.
[muziek]
Heb je me gemist?
Ja, verschrikkelijk.
Ondanks alles wat ik je heb aangedaan? -Ja, ondanks alles.
Ik ben ziek van jou.
Blijf maar liggen.
Mijn sukkelaar.
Sukkelaar van een vrijer.
Ik kan er niks aan doen.
[fanfaremuziek]
[fanfaremuziek stopt]
Meneer de gouverneur, mag ik de eer verlenen aan de bruid?
Alstublieft.
[applaus, gejuich]
[fanfaremuziek]
Dank u, meneer.
Proficiat. -Dank u.
[geklap]
[gejuich]
[geklap]
[gejoel]
[startschot, gejuich]
[muziek]
Ja, trouwen is geen probleem, maar al dat verhuizen.
Dat is een probleem, dat verhuizen van de ene kant naar de andere.
Maar ja, ik heb ervoor gekozen, want met een beetje geduld…
Hier komen, jij.
Ben je gelukkig? -En jij?
Ik vraag het aan jou. -Ja.
Als hij niet goed voor je is, moet je mij maar roepen.
Hoor je dat? -Wees maar niet bang, mevr. Rondeau.
Dat is waar ook, ik ben mevrouw Rondeau.
Wat is er? Kun je ons niet bijhouden, meneer Rondeau?
Nee.
Je huwelijksnacht zal niet veel voorstellen.
Hou verdomme op.
Scheer je weg.
Kalm aan of je kunt zonder tanden aan je huwelijksnacht beginnen.
Kom op, zeg. Vooruit.
[gelach]
Kom maar. Kom.
Wat is dat?
Dag, madame Maes. -U bent me ook een mooierd.
We komen bij u een laatste glaasje drinken.
Dan gaan de trouwers naar bed en wij gaan braaf naar huis.
Daar komt niks van in.
Maar waarom niet? -Ik heb niks tegen u…
…maar met die lui heb ik niks te maken. -Welke lui? Mijn vrienden hier?
Dit is een net hotel, Mira. -Ik ben madame Rondeau.
Dat is me om het even, maar zij komen mijn huis niet in.
Ik begrijp het al, ze mag ons niet.
Jij pretmadam, wie denk je wel dat je bent? Zijn we niet goed genoeg?
Trek het je niet aan.
Loop naar de maan met je manieren en met je rothotel.
Het zit hier toch vol luizen.
Jullie zullen hier goed liggen. Het is het bed van mijn vader zaliger.
Is hij erin gestorven?
Ja. Het was de beste man die ik ooit gekend heb.
Hè, Mira? Hij was een goed man, hè? -Dat kun je wel zeggen.
Ik laat jullie met rust. Slaap lekker.
Of liever, slaap niet te veel.
Ik had je mee naar Brussel willen nemen voor onze huwelijksnacht.
Hier is het toch ook goed?
Slaap je al? -Nee.
Krijg ik geen kus? -Jawel.
Blijf maar liggen.
[rustige muziek]
Dag, Treute. Zit je lekker in het zonnetje? Ben je braaf?
Waar ga je naartoe? -Weg.
Voorgoed? -Ja, dat heb je met getrouwde vrouwen.
Maar je bent nog erger dan… -Mijn moeder. Ja, ik geloof het ook.
Ja, mijn jongen. Je bent de enige die ik zal missen.
De enige?
Ja, jou ook, grootvader. Jou ook.
Meneer de notaris! -[ronkende motor]
Meneer de notaris, mag ik een stukje meerijden?
Waar moet je naartoe? -Naar het station.
En dan? -Naar Gent.
Maar ik kan je ook naar Gent brengen, via de nieuwe weg.
Heb je al eerder in een auto gezeten?
Ben je niet bang? -Ik?
[slotmuziek]
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.