Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
English
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Binnen.
Ernestine Micou?
- Bent u van de politie? - Inspecteur Maigret.
Ik heb niks gedaan. Het was m'n vriendin.
- Waar is die? - Geen idee.
- Zoek 'r maar. Dat is toch uw werk? - Kleed u aan en kom mee.
- Eerst m'n brood opeten. - Kleed u aan en kom mee.
Ik kan er zo toch ook best mee door?
Ik heb een arrestatiebevel. Kleed u aan.
Dat u me arresteert, best, maar ik ga niet meewerken.
Ik wil thuis graag zonder kleren lopen.
Dat gaat zomaar niet.
Stelletje rotzakken. Vuile smerissen.
Ernestine Jussiaume, meisjesnaam Micou. Bijnaam: Bonestaak.
Dringend.
Hier is ze, commissaris.
Kent u me nog? Bonestaak.
Bent u nog steeds boos op me?
Ik wil even zeggen dat u zich toen wel vergist hebt.
Tien maanden in de bak, terwijl m'n vriendin Lulu het geld had gepikt.
Zo ziet u: Iedereen kan zich vergissen. Zelfs u.
- Wilde u me daarover spreken? - Nee. Het gaat om Alfred.
- Wie is dat? - Alfred Jussiaume, m'n man.
Een heus huwelijk, in de kerk. Dat wilde hij graag.
Hij is nog godsdienstig.
U kent 'm vast wel. Ze noemen 'm Alfred de Treurige.
De brandkastkraker?
- Daar gaat Boissier over. - Formeel wel.
Die heeft 'm nu drie keer aangehouden. De laatste keer kreeg hij vijf jaar.
- Heeft hij u mishandeld? - Hij doet nog geen vlieg kwaad.
- Wat heeft hij dan gedaan? - Niks. Hij zit alleen flink in de knoei.
- Waar is hij? - Dat weet ik niet.
Is hij er vandoor?
U moet echt bij Boissier zijn.
Die behandelt inbraken. U behandelt moorden.
Heeft hij iemand vermoord?
Ik ken 'm. Daar is hij te gevoelig voor.
Hij huilt om het minste of geringste.
Wat heeft de goede man dan gedaan?
Hij heeft gisternacht een inbraak gepleegd in Neuilly.
Gaat u zitten.
Was u daarbij?
Ik mag 'm nooit helpen. Hij werkt alleen.
Voor een klus zit hij uren lang de omgeving te observeren.
Dus die inbraak was in Neuilly?
De dag ervoor zei hij dat hij was aangehouden voor 'n identiteitscontrole.
En sindsdien hebt u 'm niet meer gezien?
Hij belde om vijf uur 's ochtends. Ik kon niet slapen.
Ik hoorde meteen dat er iets was. Hij kwam bijna niet uit z'n woorden.
Is er de afgelopen 24 uur een moord gerapporteerd in Neuilly?
Een vrouw.
Geen lijk opgevist uit de Seine? Geen schoten gehoord?
Bedankt. Bel commissaris Maigret als je wat hoort.
Het is echt waar. Hij zag een vrouw zitten die 'm met dode ogen aankeek.
Ze had de hoorn van de telefoon in haar hand en ze zat onder het bloed.
- Kon Alfred dat zelf maar bevestigen. - Hij was bang. Er stopte een auto.
- Zag hij wie eruit kwam? - Een man.
- Alfred is gevlucht. - Heeft hij z'n spullen laten liggen?
Hij ging weg, zei hij. Hij was helemaal in paniek.
- Had hij soms een vriendinnetje? - Nee. Dat weet ik zeker.
Ik had er wel een voor 'm willen uitzoeken. Het leven is al zo moeilijk.
- Geef het door als u iets van 'm hoort. - U ook, commissaris.
U bent geen groentje meer, maar ik kan u helpen.
Er zijn dingen waar ik beter in thuis ben dan u.
Binnen.
- Dag commissaris. - Dag Boissier.
- Ken je Alfred Jussiaume? - De Treurige. Wat is er met 'm?
Volgens z'n vrouw heeft hij ingebroken.
Maar toen hij de kluis wilde kraken, zag hij een lijk.
Net iets voor hem. Hij zou miljonair kunnen zijn.
Hij kent honderden kluizen, maar hij heeft telkens pech.
Dan zitten er effecten in of documenten. Onverkoopbaar.
- Kwam z'n vrouw u om hulp vragen? - Ja. Hij is de stad uit.
Waar was het?
Ergens in Neuilly. Een huis met een ijzeren hek. Nogal vaag allemaal.
Misschien is het voldoende.
Ik kijk even.
Ik kom wel naar uw kamer.
Hij heeft tien jaar als deskundige bij een brandkastenfabriek gewerkt.
Toen is hij kluizen gaan kraken.
Dit is z'n staat van dienst.
Waar heeft hij kluizen ge�nstalleerd?
- Wist u dat ik die adressen had? - Natuurlijk.
Ik zou zo'n pechvogel niet graag aanhouden.
De laatste keer kreeg hij vijf jaar.
Hij had een slechte advocaat. Die kon ik wel wat doen.
Alfred is een kunstenaar. Hij speelt niet de harde jongen.
Al moet hij tien jaar de bak in, hij gaat meteen weer door.
Een geboren slachtoffer. Hij wordt altijd opgejaagd.
Daar moet het zijn.
Wacht tegenover het caf� op me.
- Wat zal het zijn? - Neem een grog, Boissier.
Ik heb te veel dorst. Een glas citroenlimonade.
- Ik heb geen citroen. - Dan een pastis.
Ik een glas witte wijn. Weet u hier in de buurt misschien een tandarts?
Aan de overkant. Ik weet niet of hij goed is. Het is er nooit druk.
- Hoe ziet hij eruit? - Veel water.
Van uw postuur. Rond de vijftig.
Hij komt hier wel 's stiekem wat drinken.
Stiekem?
Hij kijkt naar z'n huis voor hij binnenkomt.
- Wat drinkt ie? - Altijd rode wijn.
Twee glazen achter elkaar, rond een uur of zes.
Dan veegt hij z'n mond af, betaalt en gaat. Hij zegt nooit veel.
Bezoek, commissaris.
Dat komt slecht uit.
Dus u hebt 'm ook gevonden.
Ik heb de lijst met kluizen. Alfred had 'm ergens verstopt.
- Mag ik 'm? - Ik heb 'm verbrand.
- Waarom? - Ik ga geen bewijzen aandragen.
Gaat u kijken? Mag ik hier blijven wachten?
- Als u wilt. - Ik blijf er maar aan denken.
- Hebt u een afspraak? - We willen dokter Serre spreken.
De dokter ontvangt alleen op afspraak.
Commissaris Maigret, recherche.
Excuseert u mij. M'n zoon wil niet dat de mensen zomaar binnenlopen.
M'n zoon doet momenteel een middagdutje.
Gaat u toch zitten.
Ik ga 'm even halen.
Ik wil niet onbeleefd zijn...
maar m'n zoon en ik weten alles van elkaar. We wonen hier al 50 jaar.
Zou ik misschien mogen weten...
- Is uw zoon niet getrouwd? - Jawel.
Woont z'n vrouw hier ook?
Niet meer, commissaris.
Heeft ze iets verkeerds gedaan?
Bent u hier vanwege haar?
Gaat u toch zitten.
Na de dood van z'n eerste vrouw wilde m'n zoon niet hertrouwen.
Toen leerde hij een pati�nte van 'm kennen. Ze woonde in Parijs. Alleen.
- En ze zijn getrouwd? - Ja. Ik vond het een goed idee.
Dan bleef hij tenminste niet alleen achter.
Ik begrijp het. Is ze onlangs overleden?
- Overleden? - U praat in de verleden tijd.
Dat klopt. Omdat ze ons verlaten heeft.
- Wanneer was dat? - Twee dagen geleden.
Twee dagen geleden.
Maandag dus.
Heeft ze gezegd waarom ze wegging?
Het is een pijnlijke kwestie om uit te leggen.
Vooral aan een man.
Op een bepaald moment in ons leven...
maken we een periode door waarin we niet helemaal onszelf zijn.
We worden kwaad om niets. We halen ons de raarste dingen in het hoofd.
Ze had het alleen nog maar over Nederland. Haar geboorteland.
- Ze is maandag vertrokken? - Ja. Met de nachttrein.
Heeft uw zoon haar naar de trein gebracht?
- Heeft ze een taxi genomen? - Ze ging er verderop een zoeken.
Hebt u nog iets van haar gehoord?
Volgens mij wil ze niets laten horen.
Is er sprake geweest van een scheiding?
We zijn katholiek, commissaris.
Maar mag ik misschien naar de reden van uw bezoek vragen?
Is Maria iets overkomen?
Kunt u me vertellen wat er hier maandagavond precies is voorgevallen?
Eug�nie heeft m'n schoondochter geholpen met inpakken.
Onze huishoudster. Ze komt elke dag van negen tot vijf.
Heeft uw zoon die avond het huis verlaten?
- Voor het avondeten. - Hij maakte z'n avondwandeling.
- Even naar het caf�? - Nee. Hij drinkt niet.
- Nooit? - E�n glas aangelengde wijn bij het eten.
- Hoe laat hebt u gegeten? - Meteen toen hij terugkwam.
Hij loopt nog steeds de route die hij met de hond liep.
Hebt u gezamenlijk gegeten?
We waren al begonnen toen Maria naar beneden kwam.
Geen woordenwisseling?
Er werd niets gezegd onder het eten. Ik voelde dat m'n zoon...
Komt u binnen, meneer Serre.
M'n excuses...
- maar ik hoorde iets. - Deze heren zijn van de politie.
Commissaris Maigret, inspecteur Boissier.
Uw moeder heeft zojuist verteld dat uw vrouw eergisteren is weggegaan.
- Wat willen ze precies? - Dat weet ik niet.
We praatten wat in afwachting van uw komst.
Uw moeder zei ons dat u een middagdutje deed.
We zijn hier omdat we vermoeden dat u het slachtoffer van een inbraak bent.
Hoe komt u daar nou bij?
Er komt ons wel eens iets ter ore.
- Van informanten. - Bijvoorbeeld.
- Het spijt me, heren. - U bent niet bestolen?
Dan was ik zelf wel naar de politie gegaan.
U bent in het bezit van een kluis?
Ik meen dat ik het recht heb om daar niet op te antwoorden.
Maar ik kan u wel zeggen dat ik die inderdaad bezit.
Is dat een Planchart-kluis, 15 jaar geleden geplaatst?
Ik weet niet meer precies wanneer. Dat gaat ook niemand iets aan.
Slapen u en uw moeder op de eerste etage?
- Mag ik uw werkkamer 's bekijken? - Natuurlijk, commissaris.
Dan ziet u zelf dat er niet is ingebroken.
Ziet u? Niets aan de hand.
We hebben veel boeken over recht. M'n man was advocaat.
U moet het m'n zoon niet kwalijk nemen, maar het vertrek van z'n vrouw...
Bent u tevredengesteld? Wilt u de keuken en de praktijk ook zien?
Nee. Dank u.
- Is dit pas gedaan? - Vijf dagen geleden.
Er zijn twee ruiten gebroken tijdens de storm.
Hebt u iemand laten komen?
Nee. M'n zoon doet kleine klusjes altijd zelf.
Zo is het wel genoeg. Deze heren mogen ons niet zomaar lastig vallen.
Commissaris.
Ik was 'r vergeten.
En?
Geen lijk en er is niet ingebroken.
- Ontbreekt er niet ergens een ruit? - Twee zelfs. Gebroken tijdens de storm.
Ze liegen.
Iemand liegt er in elk geval.
- En u denkt dat ik dat ben. - Alfred misschien.
Waarom belt hij me dan midden in de nacht?
Ja, waarom?
Tot ziens, commissaris.
Misschien sprak Alfred wel de waarheid.
Doe me een plezier, Boissier, en ga onder de wol met die griep.
Om die tijd kon het niet voor ons zijn.
Ernestine nam op en heeft best een poos gepraat.
- Hoe laat vertrok Alfred de dag daarvoor? - Om een uur of elf.
- Eerste etage. - Dank u.
Bent u het.
Pardon.
Ja, de tijden zijn veranderd. Komt u binnen.
- Hebt u nog iets van Alfred gehoord? - Nee, helemaal niets.
- Vindt u dat niet vreemd? - Hij denkt vast dat ik gevolgd word.
Doorzoekt u de kamer maar.
Ik heb 's zitten denken. Er moet iemand gelogen hebben.
Waarom zou u mij geloven?
Wilt u koffie?
Nee, dank je, Ernestine.
Er zit een dame al een uur op u te wachten.
- Hier is ze. - Komt u binnen.
- Hebt u last van de rook? - Nee. M'n zoon rookt sigaren.
Ik vond het vervelend, zoals hij gisteren deed.
Ik heb 'm zeker slecht opgevoed. Hij is m'n enige kind.
M'n man stierf toen Guillaume twaalf was. Ik heb 'm verwend.
Hij was de man in huis. We zijn al die tijd samen geweest.
- Uw zoon was al 's getrouwd. - Hij was al vroeg weduwnaar.
- Hoe lang duurde z'n eerste huwelijk? - Twee jaar.
Vindt u dat ook niet opmerkelijk?
Met Maria is hij ook twee jaar getrouwd geweest.
- Hoe was z'n eerste vrouw? - Zeer beschaafd. Een weduwe.
Had ze kinderen?
- Waaraan is ze gestorven? - Aan een hartaanval.
Ik wilde u gisteren bellen, maar ik ben toch maar persoonlijk gekomen.
Het is vast een misverstand. We hebben niets te verbergen.
Wanneer zijn die ruiten gebroken?
Dat heb ik u al gezegd.
Tijdens de storm van vorige week had het raam opengestaan.
- Was dat overdag? - Ja. Om zes uur 's middags.
- Toen de huishoudster al weg was. - Ja. Die gaat om vijf uur.
We hebben echt niets te verbergen, commissaris.
U bent uit vrije wil hierheen gekomen, mevrouw Serre.
U wilt zelf dat ik u vragen stel.
Goed.
We gaan verder bij de avondmaaltijd van uw schoondochter, uw zoon en u.
- Waar stond de bagage toen? - In de gang.
- Wie had het naar beneden gedragen? - Eug�nie. En Guillaume heeft geholpen.
- Was er een grote koffer bij? - Ja. Een hutkoffer.
M'n schoondochter reisde veel voor haar huwelijk.
Was u erbij toen uw schoondochter vertrok?
Nee. Ik probeer emotionele situaties zoveel mogelijk te vermijden.
Ik heb beneden afscheid genomen en ben naar boven gegaan.
- Waar was uw zoon op dat moment? - In z'n werkkamer, geloof ik.
Dus u weet niet of ze nog gepraat hebben.
Volgens mij niet. Ik heb niets gehoord.
U was op de eerste etage. Denkt u dat u een gesprek had kunnen horen?
Ik hoor het parket kraken aan de andere kant van het huis.
- Wie ging er een taxi zoeken? - Maria. Dat heb ik al gezegd.
- Bleef ze lang weg? - Vrij lang, ja.
Er is geen taxistandplaats vlakbij. Ze moest er een aanhouden.
Bent u naar beneden gegaan toen ze weg was?
Nee. Guillaume kwam naar m'n kamer.
Was hij van streek?
Hij was zoals u hem gisteren zag.
Wist hij dat z'n vrouw niet meer terugkwam?
Hij vermoedde het. Anders had ze niet al haar spullen meegenomen.
Bent u daarna niet meer van uw kamer gekomen?
Is uw zoon bij u gebleven?
- Is hij niet weg geweest? - Waarom?
- Waar parkeert hij z'n wagen? - In de garage even verderop.
Hij kan dus met de auto weg zonder dat iemand 'm ziet.
Binnen.
- Dag chef. - Kom binnen, Janvier. Nog nieuws?
Kom maar binnen.
Het gaat om Maria van Aerts. 51 jaar oud. Geboren in Sneek, Nederland.
Voor haar huwelijk woonde ze in een pension in Neuilly.
En de taxi?
Die hebben we nog niet. Vannier is naar het station.
Goed. Laat het me weten als je wat hoort.
Ik wil uw vragen beantwoorden, maar dit begrijp ik niet.
Maakt u zich ongerust?
Gisteren ging het om een inbraak en nu vraagt u ineens naar Maria.
Ik ben wel enigszins van streek, ja.
- Hebt u niks meer gehoord? - Dat had ik ook niet verwacht.
U houdt iets voor me achter, commissaris.
Gaat u zitten.
Gisteren is een man uw huis binnengedrongen.
- Waarom? - Om uw kluis open te breken.
- Wat heeft hij meegenomen? - Niets.
Omdat hij in het licht van z'n zaklantaarn iets zag wat hij niet had verwacht.
Wat dan?
Een lijk.
Het lijk van een vrouw.
Waarschijnlijk uw schoondochter.
Heeft hij dat gezegd?
Waarom laat u die man z'n beschuldiging niet tegenover mij herhalen?
- Omdat hij niet meer in Parijs is. - Kunt u hem niet laten komen?
U hebt vast goede redenen om deze inbreker te geloven.
Ik ben tenslotte maar 'n oude vrouw die nog nooit iemand kwaad heeft gedaan.
Ik wil dat u onmiddellijk mee naar ons huis komt.
Dan zet ik alles open en mag u overal rondkijken.
Nee, dank u.
Probeert u zich in mij te verplaatsen.
Vergeet dat u in uw dagelijks leven misdaden oplost.
Stel u eens voor dat u vragen worden gesteld, dat u van iets verdacht wordt.
Dat zal ik zeker doen.
Garcin, met Maigret. Ik maak het uitstekend.
Luister. Ga onmiddellijk naar Rue de la Ferme 43b.
Je weet ervan. Mooi.
Ik wil de tandarts alleen spreken en ik heb geen papieren.
Het moet voor z'n moeder terug is.
Lok 'm mee. Zeg maar dat hij moet getuigen of zo.
Nee, het is niet zoals het hoort.
Kunt u even komen, inspecteur?
- Hoe ging het? - Ik heb een oproep laten schrijven.
Hij las 'm en ging meteen mee. Maar hij zegt geen stom woord.
Kom.
Dag, meneer Serre.
Ik wilde u een paar vragen stellen.
Ik heb een oproep gekregen van de politie van Neuilly.
- Dus u wilt geen antwoord geven? - In geen geval.
Goed. Dan krijgt u een gesprek met de politiecommissaris van Neuilly.
- Ik hou niet van dit soort situaties. - Ik ook niet.
Laat 'm maar komen.
- Waar wordt hij van verdacht? - Moord op z'n vrouw.
We willen wat gegevens controleren. Ik zal u niet lang ophouden.
Blijf maar hier, Garcin.
Bent u de eigenaar van het vervoer- middel met het kenteken RS 8822 L?
Wanneer hebt u er voor het laatst in gereden?
Mag ik vragen waarom u me deze vragen stelt?
Men heeft ons uw auto, uw kenteken in elk geval...
doorgegeven als dat van de schuldige van een aanrijding.
- Wanneer was dat? - Maandagavond.
En waar?
Ergens langs de Seine.
De auto is de garage niet uit geweest.
- Misschien had iemand 'm 'geleend'. - De garage zat op slot.
Dus u hebt maandagavond en maandagnacht uw auto niet gebruikt?
Zijn er getuigen van die aanrijding?
Dat was het, meneer Serre. U kunt gaan.
- Ik heb m'n best gedaan. - Dat zag ik.
Kunt u even inhouden?
Dank u. Rijd u maar weer door.
- Bent u nog iets te weten gekomen? - Nee.
- Dit zat bij de post. - Van Alfred?
- Het is zijn handschrift. - Le Havre.
Stel dat hij naar Parijs terugkomt.
Of we hem dan aanhouden?
Dat kan niet, omdat hij niet betrapt is.
Serre heeft niet eens een aanklacht ingediend.
- Dus u laat 'm met rust. - Als hij niet gelogen heeft.
- Ik heb nieuws. - Tot ziens dan maar.
Ik ben bij dat pension geweest waar ik het over had.
Er zitten vooral buitenlandse toeristen, die kaarten naar huis schrijven.
Maria van Aerts woonde er een jaar.
Ze schreef elke week dikke brieven naar een vriendin in Amsterdam.
Die is 'r een keer komen opzoeken en is toen drie weken gebleven.
Gertrude Oosting. Getrouwd met een brouwer. Moet makkelijk te vinden zijn.
- Ze zijn waarschijnlijk blijven schrijven. - Dat lijkt mij ook.
- Is Torrence er? - Sinds vanochtend weer.
Stuur 'm hierheen.
Posteer je tegenover Rue de la Ferme 43b in Neuilly.
Verberg je niet. Als er een man naar buiten komt, volg je 'm openlijk.
Was het dat?
Laat je vannacht aflossen. Eet smakelijk.
Bel de politie van Le Havre.
Volg me.
Bent u Eug�nie?
- Wat wilt u van me? - Ik wil even met u praten.
- Ik heb geen tijd. - Ik ben van de politie.
Ik wil u een paar vragen stellen.
- Wat vindt u van uw werkgevers? - Schoften.
- De oude mevrouw Serre ook? - Die is het ergste.
Ik breng u naar huis.
- Ik moet smerissen niet. - Dat is uw goed recht.
Had u ook een hekel aan de schoondochter?
Ze plunderde de provisiekast. Ze at alles op wat ik had klaargemaakt.
- Weet u wanneer ze is vertrokken? - Maandag. Hier is het.
- Waarom bent u naar haar op zoek? - We vermoeden dat ze vermoord is.
- Hou ze dan aan. - We hebben nog niet genoeg bewijzen.
En wat wilt u nou van mij?
Herinnert u zich nog wat er maandag gebeurd is?
Heel goed.
U hebt de jonge mevrouw Serre helpen pakken.
Ja. De hele ochtend.
- Nam ze veel persoonlijke dingen mee? - Hopen.
Ze had wel dertig jurken. Ze gooide nooit iets weg.
Ze droeg ze niet meer, maar ze gaf ze nooit weg.
Gierig dus.
Zoals alle rijken.
Het schijnt dat ze een hutkoffer en twee valiezen bij zich had.
De rest was de week daarvoor al verstuurd.
- Wist haar man dat? - Natuurlijk.
- Het was al lang afgesproken. - Sinds wanneer?
Sinds haar laatste aanval.
Na elke aanval wilde ze terug naar haar land.
Wat voor aanvallen?
Ze had een slecht hart.
- Was ze hartpati�nt? - Blijkbaar.
- Nam ze medicijnen? - Die namen ze alle drie.
Leder z'n eigen flesje of potje pillen naast z'n bord.
Hadden ze vaak ruzie?
Ze praatten soms weken niet met elkaar.
- Dan bleef ze op haar kamer. - Wie? Maria of de moeder?
Die Hollandse. Dan schreef ze de hele dag brieven.
En ik moest ze posten. Altijd aan iemand in Amsterdam.
- Gertrude Oosting? - Zoiets. Het was in elk geval Gertrude.
Werkte u al voor ze voor ze met elkaar trouwden?
Weet u wie er daarvoor voor ze werkte?
Ze wisselden nogal 's van huishoudster. Dat zei de postbode.
Als je ze eenmaal kent, wil je weg. Ik stap in elk geval op.
Waarom?
Ik ben het zat om dat ouwe mens de suikerklontjes na te zien tellen.
Ze is zo geniepig.
Altijd even beleefd, maar ze kijkt je aan alsof je niets bent.
Is u nog iets opgevallen toen u dinsdag kwam werken?
Was er 's nachts geen ruit gebroken in de werkkamer?
Rook het er niet naar stopverf?
- U vergist zich in de dag. - Welke dag was dat dan?
Een dag of twee daarvoor. Na de storm.
- Weet u dat zeker? - Absoluut.
Er waren twee ruiten gebroken. Ik moest de vloer dweilen.
Wie heeft ze vervangen?
Serre. Hij is vast naar de ijzerhandel op de Rue de Longchamp geweest.
Ze zijn zo krenterig dat ze alles zelf doen.
De tandarts ontstopt de toiletten.
- Denkt u dat zij 'r hebben vermoord? - Geen idee.
Momentje.
- Goedenavond. Verkoopt u vensterglas? - We gaan sluiten.
Recherche.
Pardon. Wat kan ik voor u doen?
- Kent u meneer Serre, de tandarts? - Die heeft een rekening bij ons.
Is hij pas nog hier geweest?
Vorige week kocht hij vensterglas en stopverf.
- Op welke dag? - De dag na de storm. Vrijdag, geloof ik.
Vrijdag.
- Fijn. Dank u. - Ik kan het nakijken.
Hij is van de week ook geweest.
Hij is dinsdag ook geweest.
Toen heeft hij nog zo'n stuk glas gekocht.
41 bij 45 centimeter.
- Weet u dat zeker? - Heel zeker. Hij was de eerste klant.
- Hoe laat was dat? - We gaan om acht uur open.
- Staat dat ook in uw kasboek? - Uiteraard.
Ik stuur een fotograaf langs. Bewaar de pagina.
Commissaris Maigret, recherche.
Pardon.
Het is niet volgens het boekje.
Maar ze hebben gelogen over die gebroken ruiten.
En als de tandarts ons betrapt?
Wacht tot hij slaapt. Binnen.
Torrence houdt de wacht. Ze kunnen de garage vanuit het huis niet zien. Succes.
Ik heb Gertrude Oosting gevonden...
en een tolk geregeld bij de Nederlandse ambassade.
U ging haar dinsdag afhalen op het station in Amsterdam.
Maar ze was er niet.
Ze zegt dat ze ongerust is en vraagt of Maria dood is.
Misschien. Ik geef u even een tolk.
Vraag haar of ze me de brieven van het afgelopen jaar stuurt.
En zeg dat ze zo snel mogelijk naar het hoofdbureau van politie moet gaan...
om Maria Serre-van Aerts als vermist op te geven.
Het is dringend.
- Goedenavond. - Is je griep al over, Boissier?
Bijna. Ik hield het niet meer uit in bed.
Ik zie je nog wel.
Sorry dat ik je heb laten wachten.
- Ben je nu klaar? - Nog niet.
Ik verwacht een belangrijk telegram uit Amsterdam.
Wat ben je opgewekt. Ga je iemand beetnemen?
Zoiets.
Een glas witte wijn.
- Wat wil je eten? - Ik weet het niet.
- Vis misschien. - Ik neem in elk geval oesters.
Ga je straks mee naar het bureau?
- Maar geen opmerkingen over stof en zo. - Afgesproken.
- Hoe is het gegaan? - Prima. De foto's zijn bijna klaar.
Kom binnen. Hebben jullie iets gevonden?
Er is al een dag of drie niet meer met de auto gereden.
Niets bijzonders, alleen twee krassen in de kofferbak.
- Alsof er iets zwaars langs geschuurd is? - Zou kunnen. Een koffer of een kist.
- Geen bloedsporen? - Nee. En ook geen haren.
Denk je dat de auto pas is schoongemaakt?
Niet van buiten, maar wel van binnen. Ik kon bijna geen stof vinden.
Ik ga m'n vondsten onderzoeken. Goedenavond.
Heb je geen slaap?
Is het altijd zo?
- Je werk. - Dat hangt ervan af.
- Gaat het om een moord? - Waarschijnlijk wel.
Weet je wie het gedaan heeft?
Weet hij dat jij 'm verdenkt?
Dat moet vreselijk zijn.
Voor die arme vrouw was het ook niet zo leuk.
Een telegram, commissaris.
Een onderzoeksaanvraag uit Amsterdam. We kunnen naar huis.
- En de foto's? - Die leveren niets op.
- Het sporenonderzoek ook niet. - Heeft de moordenaar zich ingedekt?
Dit lag bij de stoel van de bestuurder. Steengruis.
- Van bakstenen. - Dat is tenminste iets.
Kom straks met je mannen naar het huis. Pak 's flink uit. We moeten indruk maken.
- Is het een harde? - Op zijn manier. Ik bel je nog wel.
Ga jij 's bij de haven kijken, Boissier.
Ga na of er afgelopen week een vracht stenen is gelost.
- Hebt u een huiszoekingsbevel? - Dag, meneer Serre. Alstublieft.
Zoals u ziet wordt er een onderzoek ingesteld...
naar de verdwijning van mevrouw Maria Serre-van Aerts.
Gertrude Oosting heeft haar als vermist opgegeven.
Wat is er, Guillaume?
Niets, mama. Deze heren komen zomaar even langs.
Ga maar weer naar uw kamer.
U hebt uw vrouw dus leren kennen omdat ze u als tandarts nam.
Wist u dat ze rijk was?
Dokter Dubuc was dus de arts van uw vrouw?
Voor ons huwelijk, ja.
Wist u dat ze hartpati�nte was?
Ja, dat had ze gezegd.
Uw vorige vrouw is ook aan een hartkwaal overleden.
Dat klopt. De overlijdensakte ligt op de kamer van m'n moeder.
Kunt u me een foto van uw vader laten zien?
Ik zie er geen.
De hele mikmak. Haal er de stofkam doorheen.
- Zou dat indruk op 'm maken? - In elk geval op iemand.
- Ik ga achter de vader aan. - Zal ik dat doen?
Hier heb ik 'm. Alain Serre, op z'n rug gezien.
We waren studiegenoten. Hij is al een jaar of dertig dood.
- Wat voor man was het? - Waar gaat het om, Maigret?
Z'n zoon. Die is tandarts.
Die heb ik nooit gezien. Ik wist wel dat hij een zoon had.
Alain en ik behoorden tot een groepje feestneuzen...
voor wie het gezin niet op de eerste plaats kwam.
Dit is niet z'n vrouw.
Nee, z'n ma�tresse.
Z'n vrouw kende ik niet. Ze woonden ergens in Neuilly.
Maar hij is lang met dat danseresje geweest. Josette.
Een ondeugend ding. Ze noemden 'r Nachtzwaluw.
Ze zijn boven. Ze hebben niets gevonden.
Ik weet niet meer waar ik moet blijven. Wat zoeken ze toch?
We hadden 'r nooit moeten laten gaan.
Als ik dit had geweten...
Is deze van u, meneer Serre?
Van wie anders?
- Dronk ie? - Hij kon 'm flink raken.
We leefden het goede leven. Een onvergetelijke tijd.
- En, Janvier? - Niets bijzonders.
Alleen de overlijdensakten van z'n eerste vrouw en z'n vader.
Zoek naar een foto van z'n vader. Die wil ik wel 's zien.
Trek uw jas aan, meneer Serre.
De brieven van mevrouw Serre aan haar vriendin Gertrude Oosting.
Begin bij de meest recente.
Bedankt, Dambois. Waarschuw me als je gaat.
Wilt u dit even lezen, meneer Serre?
De pagina van afgelopen dinsdag uit het kasboek van ijzerhandel Gillot.
Er staat: Glasplaat van 41 bij 45 en een half pond stopverf.
De eerste klant die dag.
- Begrijpt u wat dat inhoudt? - Beschuldigt u me?
Officieel bent u hier als getuige, maar ik zou u kunnen beschuldigen.
Dan kunt u de hulp van een advocaat inroepen.
Ik heb geen advocaat nodig.
- Lijdt u aan een hartkwaal? - Hypertrofie, net als u waarschijnlijk.
Uw vader is overleden aan een hartkwaal toen u nog op school zat.
Uw eerste vrouw was ook hartpati�nte, en Maria van Aerts ook.
Veel mensen overlijden aan een hartkwaal.
- Hebt u een levensverzekering? - Sinds m'n jeugd al.
Maar ik heb geen verzekeringspolis gezien van uw moeder.
- Die is niet verzekerd. - Was uw vader wel verzekerd?
En uw eerste vrouw ook.
De papieren lagen op m'n moeders kamer.
Inderdaad. En uw tweede vrouw?
Dat is tegenwoordig heel gebruikelijk.
Maar het is minder gebruikelijk om al dat geld thuis in een kluis te bewaren.
- Dat doen zoveel mensen. - Een fortuin dat geen rente opbrengt.
U vergeet de hoge belastingen, de devaluaties...
en de ongunstige financi�le regelingen.
Ik begrijp het.
U geeft dus toe dat u de fiscus wilde oplichten.
Wist uw tweede vrouw dat al dat geld in de kluis lag?
Natuurlijk. Haar geld lag er ook in.
Ik heb geen huwelijkscontract gevonden.
We zijn in gemeenschap van goederen getrouwd.
Dat is op uw leeftijd ongebruikelijk.
Anders hadden we al onze bezittingen moeten inventariseren.
- Was uw vrouw rijk? - Dat is ze nog steeds.
- Rijker dan u? - Bijna even rijk.
- Bevindt haar fortuin zich in Frankrijk? - Gedeeltelijk. Ook in Nederland.
- In welke vorm bewaart ze haar geld? - Voornamelijk in de vorm van goud.
Ook al voor ze u kende?
Ik begrijp waar u naartoe wilt.
Ja, ik heb haar aangeraden haar bezittingen om te zetten in goud.
- En dat goud bevond zich in uw kluis. - Inderdaad.
Tot wanneer?
Tot maandag. Toen Maria naar beneden kwam, heb ik haar het goud gegeven.
Dat bevond zich dus ergens in haar bagage.
Ik neem aan van wel.
Hoe weet ik dat het geld in uw kluis alleen uw geld is...
en niet tevens dat van uw vrouw?
Wat betekenen de N en de M?
Wij, m'n moeder en ik dan, hebben ons geld altijd bij elkaar gedaan.
We maakten geen onderscheid.
- De M staat dus voor Maria. - Inderdaad.
Er is een getal dat steeds terugkomt.
Haar bijdrage aan het huishouden.
Betaalde uw vrouw een vast bedrag per maand?
Ze betaalde niet echt, want het geld zat al in de kluis.
Het werd in mindering gebracht op haar rekening.
Met mij. Wacht maar niet op me. Het wordt laat.
Ja, het duurt wel even.
- Heb je een foto van de vader? - Die had mevrouw Serre niet meer.
Dit gaat de hele nacht duren. Dat wordt eten halen.
Mag ik?
Hebt u al over dat derde raam nagedacht?
Dat is niet verstandig. Ik wil graag een aannemelijke verklaring.
Die krijgt u niet.
U blijft erbij dat u maar ��n keer nieuwe ramen hebt geplaatst?
Vorige week, de dag na de storm.
En daarna hebt u geen glas meer gekocht, ondanks deze notitie?
Kom je even, Janvier?
M'n inspecteur gaat opschrijven wat u net hebt gezegd.
Na wat ik je heb geschreven over m'n leven, m'n man en m'n schoonmoeder...
begrijp je vast wel hoe ik me voel. Je hoort het allemaal nog wel.
Ik vertrek maandag. De tijd zal snel voorbijgaan.
Ik hou het hier niet veel langer meer uit.
Ik ben klaar, chef. Hij zit te wachten.
Ik kom eraan.
Richt u vooral op Maria van Aerts, haar man en haar schoonmoeder.
Ik wil weten hoe ze met elkaar samenleefden.
Geld, alcohol, de relatie van die twee.
Jaloezie misschien.
En richt u op gegevens over de vader, de advocaat.
We hebben niets over 'm. Geen brieven, geen foto's. Vreemd.
Alsof hij uit hun leven is gebannen.
Mag ik een glas water?
Geen glas rode wijn?
Ja, dat hoort bij het spel.
Uit angst voor uw moeder drinkt u in het geniep.
- Is dat een vraag? - Nee. U hoeft geen antwoord te geven.
De vader van m'n moeder dronk, haar twee broers ook...
en haar zus zat in een krankzinnigengesticht.
Er was nooit alcohol in huis.
M'n moeder was bang dat ik ook aan de drank zou raken.
Ze denkt dat het erfelijk is.
Houdt u veel van uw moeder, meneer Serre?
Dat is normaal.
We hebben altijd bij elkaar gewoond.
Net als in een huwelijk.
- Wat wilt u daarmee zeggen? - Is uw moeder jaloers?
Dat komt vaker voor bij een weduwe met maar ��n zoon.
Was uw moeder jaloers op uw relaties? Hebt u veel vrienden?
Wat heeft dat te maken met de 'verdwijning' van m'n vrouw?
Ik heb geen brief van een vriend bij u gevonden.
Of een groepsfoto, die de meeste mensen toch wel hebben.
Er is me nog iets opgevallen.
U hebt alleen foto's van de familie van uw moeder in huis.
Niet van uw vader of z'n familie.
Daar ben ik me niet van bewust.
Weet u wanneer die vernietigd zijn?
Hoe herinnert u zich uw vader?
Hoort die vraag ook bij het verhoor?
Ons gesprek wordt niet vastgelegd.
Uw vader was advocaat.
Wat voor leven leidde hij? Was hij vaak thuis...
of leidde hij een openbaar leven?
- Hij ging vaak uit. - Met uw moeder?
Nauwelijks.
- Had hij ma�tresses? - Dat weet ik niet.
Is uw vader in bed gestorven?
- Nee, op de trap. - Was u daarbij?
Nee, ik was niet thuis.
Toen ik terugkwam, was hij al twee uur dood.
- Wie was z'n arts? - Dokter Dutilleux.
- Leeft die nog? - Nee, die is al ruim tien jaar dood.
Was u thuis toen uw eerste vrouw stierf?
Beantwoord de vraag, alstublieft.
- Ja, ik was thuis. - Waar was u?
- In m'n werkkamer. - Hoe laat was het?
- Ongeveer negen uur 's avonds. - Was uw vrouw op haar kamer?
- Ze was onwel. - Was uw moeder bij haar?
Dat weet ik niet meer.
- Heeft uw moeder u geroepen? - Ik geloof het wel.
Was uw vrouw al dood toen u op haar kamer kwam?
Ze heeft daarna nog 'n kwartier geleefd. Ze overleed toen er werd gebeld.
- Wie was haar arts? - Dokter Dutilleux.
Was dat uw huisarts?
Waarom hebt u die poging tot inbraak niet aangegeven?
Er valt niets aan te geven.
Waar is uw vrouw, meneer Serre?
We zullen haar toch moeten vinden.
Jouw beurt, Janvier. Geef 'm een glas water.
Ze zit in de wachtkamer. De moeder.
Des te beter. Laat Vannier het gesprek in steno opnemen.
Ik ga weg. Niemand weet het nog. Ook de oude dame niet.
Ze glimlacht altijd, zolang ik maar doe wat ze wil.
Het is de meest ego�stische vrouw die ik ken.
Guillaume zal wel opgelucht zijn dat ik vertrek.
We hebben al lang niets meer met elkaar gemeen.
Ik heb nooit kunnen wennen aan de geur van z'n huid.
Begrijp je nu waarom we niet in dezelfde kamer slapen?
U zegt dat u de taxichauffeur niet gezien hebt...
maar hij moest de bagage toch pakken?
Dat weet ik niet. Ik was binnen.
Na twee jaar schrik ik nog steeds als hij naar m'n kamer komt.
Gelukkig gebeurt dat zelden.
Hij denkt dat hij mij er een plezier mee doet.
Of dat het z'n plicht is. Misschien moet hij het wel van z'n moeder.
Maak je niet ongerust. Ik denk dat ik wel de hele nacht bezig blijf.
Wat ben je aan het doen?
Kusje.
Dus u hebt uw vrouw niet geholpen met haar bagage?
Nee. Ik zat op m'n kamer en de luiken waren dicht.
- Hoeveel bagage had ze? - E�n hutkoffer en twee valiezen.
- Houdt u me hier nog lang vast? - Dat ligt aan u.
Is het niet minder vermoeiend om gewoon de waarheid te zeggen?
- Wanneer hebt u uw vrouw vermoord? - Ik heb haar niet vermoord.
Ga maar eten, Janvier.
Laat wat broodjes en bier brengen.
Waarom bent u met Maria van Aerts getrouwd?
Moeder was bang dat ik alleen zou blijven.
Ze ziet me nog als een kind en vindt dat er iemand voor me moet zorgen.
En om u van de drank te houden. Gaat u zitten.
Hoe bedoelt u?
Hebt u nooit horen zeggen dat uw vader het er flink van nam?
- Hij ging veel uit. - En gaf veel geld uit.
Misschien.
- Maakte uw moeder daar ruzie over? - Ruzie maken ligt niet in onze aard.
Wat heeft uw eerste huwelijk u opgeleverd?
Wij spreken niet dezelfde taal, meneer Maigret.
U bent toch in gemeenschap van goederen getrouwd?
Dat heb ik u al gezegd.
Uw eerste vrouw was rijk. U hebt van haar ge�rfd.
Vindt u dat dan abnormaal?
Zolang het lichaam van uw tweede vrouw niet gevonden is...
kunt u niet van haar erven.
Ik erf ook niet van haar als ze nog leeft.
- Denkt u dat ze nog leeft? - Ik heb haar niet vermoord.
De ijzerhandelaar vergist zich dus wat betreft dat derde stuk vensterglas?
- Het is mijn woord tegen het zijne. - Tenzij u uw vrouw vermoord hebt.
Dinsdagochtend trof u dus niets vreemds aan in uw werkkamer.
Nee. Ook geen gereedschapskist. Dat heb ik al een paar keer gezegd.
U hebt het recht om me te ondervragen...
maar uw inspecteur heeft deze vragen ook al gesteld.
U probeert me murw te maken. Maar dat kan wel even duren.
Kort en goed: Ik heb m'n vrouw niet vermoord.
En ik geef geen antwoord meer op vragen die me al zijn gesteld.
Uw moeder is hier.
Ze zit al ruim twee uur in de wachtkamer.
Wilt u haar daar de hele nacht laten wachten?
Ze kan doen wat ze wil. Ik hou haar niet tegen.
Ik zou uw werk niet willen doen.
Wilt u iets eten?
Graag. Dank u.
- Wilt u uw moeder spreken? - Nee. Ik heb haar niets te zeggen.
- Heeft ze iets gegeten? - Dat weet ik niet. Ze mag weggaan.
- Dat doet ze niet zolang ik hier ben. - Dat duurt nog wel even.
- Hoe is het met haar? - Goed.
Ze zit druk te praten met een ex-prostitu�e.
- Kunt u haar een broodje laten brengen? - Is al gebeurd.
Zeg tegen Torrence dat hij Bonestaak naar Lucas brengt.
- Wat heeft ze gezegd? - Ze wilde weten waarom ik hier was.
Dus toen heb ik 'n verhaal opgehangen. En toen ging ze vragen stellen.
- Waarover? - Over u.
Ik heb 'r verteld dat u iedereen aan de praat krijgt.
Dat meen je niet.
Dat u iemand 's winters naakt in uw kantoor hebt opgesloten...
- met alle ramen open. - Dat kan toch niet, Ernestine.
Het maakte wel indruk.
Ze is minder zelfverzekerd. Veel nerveuzer.
- Ze vroeg of u ze ook sloeg. - Met een zweep zeker.
Dat gaat zomaar niet.
Uw moeder denkt dat ik u martel.
- Wat hebt u tegen haar gezegd? - Ik niets.
Waarschijnlijk het meisje dat bij haar zit.
Dat soort mensen verzint van alles om interessant te doen.
Mag ik haar spreken?
- Wie? - M'n moeder.
Nee. Ik ga zelf maar 's met haar praten.
- M'n moeder weet niets. - En u?
Ik ook niet.
U dwingt me om haar net zo te ondervragen als u.
- U hebt totaal geen medelijden. - Met wie?
Met een oude dame.
Maria van Aerts was ook graag oud geworden.
Jouw beurt, Janvier. Ik ga naar de moeder.
De lange vrouw wil u spreken.
Ze voelt zich niet goed. Ze wacht in de kamer van inspecteur Lucas.
- Biertje, Marcel? - Dat sla ik niet af.
Deur dicht, commissaris.
Wat is er?
Ik kon niet meer. Wat een vreselijk mens.
Ik weet niet hoe d'r zoon is, maar zij is gehaaider dan ik.
Ze vroeg maar door en ik had niks in de gaten.
- Heb je gezegd wie je was? - Nee, maar ze heeft het geraden.
- Wat? - Dat ik getippeld heb.
Ze vroeg van alles over de gevangenis, en ik ben erin getrapt.
- Heb je over Alfred verteld? - Ja, maar niet wat hij deed.
Ze heeft minstens een uur doorgevraagd over het gevangenisleven.
Hebt u hier geen borrel staan?
Die tang heeft me helemaal uitgeput. Dat wil u vast weten.
- Heeft ze het nog over haar zoon gehad? - Nee, maar ze keek bij elk geluid op.
En toen vroeg ze iets wat u misschien wel interesseert.
Ze vroeg of ik mensen kende die onder de guillotine zijn gestorven.
Hoe laat is het?
- Twee uur. Ga maar naar huis. - Nee. Ik blijf hier.
Foto's van mevrouw Van Aerts. Er zat een briefje bij van mevrouw Oosting.
Ze dacht dat ze van pas konden komen. Ik heb iets interessants gevonden.
Ze hebben een hekel aan reizen.
Ze zijn maar ��n keer in het buitenland geweest.
Naar Londen. Het schijnt dat ze toen allemaal zeeziek zijn geworden...
en door de scheepsarts zijn behandeld.
Dus toen ik voorstelde om naar Nice te gaan, zeiden ze eerst niets.
Later zei Guillaume dat z'n moeder het een stuitend idee vond.
Hij vroeg me om er alsjeblieft van af te zien.
De la van m'n nachtkastje stond open...
en hij wierp er automatisch een blik in.
Hij werd helemaal bleek toen hij het pistool van m'n reis naar Egypte zag...
en hij vroeg of het geladen was.
Ik liet 'm het lege magazijn zien. Toen vroeg hij of ik er kogels voor had.
Ik zei dat die wel ergens moesten liggen.
Later zei m'n schoonmoeder dat een dame geen wapen hoort te bezitten.
Ik moest het maar aan haar geven.
Dat weigerde ik, want het was een souvenir.
Ik heb 's nagedacht, meneer Serre. U hebt toch niet zo erg gelogen.
Maria moest niet verdwijnen. Daar hebt u geen belang bij.
Ze moest wel degelijk naar Nederland gaan.
Ik weet niet of ze bij u thuis moest doodgaan of na haar vertrek.
Als ze eenmaal weg was. Zo zit het, he?
Ze moest een natuurlijke dood sterven, of iets wat daarop leek.
Maar het ging niet zoals u wilde, en u moest 't lichaam en de bagage verbergen.
Maar er zit me nog iets dwars.
Na het afscheid is uw vrouw nog naar uw werkkamer teruggegaan...
want daar is haar lichaam gevonden.
U hoeft niet te antwoorden. U hoeft alleen maar te luisteren.
Ik weet ondertussen dat uw vrouw een automatisch pistool had.
Misschien schoot u uit zelfverdediging. Dat neem ik graag van u aan.
U was in de war en bent weggegaan om uw auto te gaan halen.
U bent verkeerd bezig, meneer Serre.
Vroeg of laat vinden we het lichaam en zien we dat uw vrouw is doodgeschoten.
Ik vraag me alleen af met welk wapen. Het uwe of het hare.
Als het het hare was, kwam ze misschien terug om iets op te eisen...
en heeft ze u bedreigd.
Vanwege een geldkwestie misschien.
U hebt in elk geval niets te vrezen.
U kunt het zelfs op zelfverdediging gooien.
Rest alleen de vraag waarom uw vrouw is teruggekomen en u heeft bedreigd.
Wat vindt u van m'n redenering?
Niets.
Wilt u nog steeds niet praten?
Ik antwoord op uw vragen.
Uw vrouw heeft haar geld niet opge�ist en u niet bedreigd?
M'n vrouw heeft me nooit bedreigd.
Niet zo stellig, meneer Serre. Daar kunt u spijt van krijgen.
U moet de jury ervan overtuigen dat uw leven in gevaar was.
U hebt er geen belang bij om met een lijk te zitten.
Althans niet met een lijk dat je niet kunt laten zien.
Bij de dood van uw eerste vrouw...
kon u dokter Dutilleux bellen om een overlijdensakte op te maken.
Maria had ook een hartkwaal. Zij had ook 'n natuurlijke dood moeten sterven.
Dat was al 's eerder gelukt.
- Nu zat het tegen. - Ik heb 'r niet vermoord.
En ook haar lijk en het gereedschap niet verborgen?
Er is geen inbreker geweest.
Over een paar uur staat hij misschien voor uw neus.
Het is een recidivist. We kennen 'm.
Hij heeft z'n vrouw alles verteld. Ze zit bij uw moeder in de wachtkamer.
Het wordt tijd dat u een beslissing neemt.
Het is nu drie uur.
Ik heb u niets te zeggen.
Goed.
Dan zal ik uw moeder moeten ondervragen.
Ik had haar die beproeving willen besparen.
Jij weer, Janvier.
Ik heb wat gevonden, commissaris.
Het was makkelijk. Ik ben alle loskades afgegaan.
- Waar komt dit vandaan? - Quai de Billancourt.
Maar ��n schuit had bakstenen gelost.
- Wanneer? - Afgelopen maandag.
De kade ligt vol met rood stof. Hetzelfde als wat we gevonden hebben.
- Bel de rivierpolitie. - Is al gebeurd.
Komt u even mee, mevrouw Serre?
Gaat u zitten.
- Uw zoon lijdt toch aan een hartkwaal? - Hij heeft altijd een zwak hart gehad.
Ik vertel niet graag slecht nieuws, zeker niet aan iemand van uw leeftijd...
maar hij heeft z'n vrouw vermoord.
- Hij ontkent, maar we hebben bewijzen. - Wat voor bewijzen?
We weten dat hij het lichaam in de Seine heeft gegooid aan de Quai de Billancourt.
Hij wil het niet op zelfverdediging gooien. Dat is niet slim.
Ik weet zeker dat z'n vrouw hem met een wapen heeft bedreigd.
Of ze heeft u bedreigd.
Toen hij het wapen wilde afpakken, is het afgegaan.
Er is nog een derde mogelijkheid.
Dat uw zoon eerst heeft geschoten met z'n eigen wapen.
Ik was op m'n kamer.
- Hebt u niets gehoord? - Alleen de deur en een auto.
- De taxi? - Ik denk het. Ze zou een taxi nemen.
- U weet het niet zeker? - Ik heb niets gezien.
- Misschien was het de auto van uw zoon. - Hij was niet weg geweest, zei hij.
Laatst wist u zeker dat uw schoondochter 'n taxi had genomen.
- Dat is nog steeds zo. - U weet het niet meer zeker.
U stelt me nu al twee dagen dezelfde vragen. Ik weet het niet meer.
En ik heb uren zitten wachten. Ik kan niet meer.
Waarom bent u hierheen gekomen?
Ik wil bij m'n zoon zijn als hij het moeilijk heeft.
- Volgt u hem ook naar de gevangenis? - Dat begrijp ik niet.
Zou u een deel van de schuld van uw zoon op u nemen?
- Hij heeft niets gedaan. - Weet u dat zeker?
Waarom zou hij z'n vrouw vermoorden?
- Bent u overtuigd van z'n onschuld? - Voor zover ik weet.
- Zou hij het hebben kunnen doen? - Hij had er geen enkele reden toe.
Toch heeft hij het gedaan.
Zodra de officier er is, stel ik uw zoon in staat van beschuldiging.
Hij maakt geen enkele kans. Hij krijgt de doodstraf.
Z'n eerste vrouw zal worden opgegraven.
Bepaalde soorten vergif kun je in het skelet terugvinden.
Dat kan niet. Ik geloof u niet, commissaris.
U wilt me alleen maar laten lijden.
Laat me met 'm praten.
Laat me even met 'm alleen, dan kom ik wel achter de waarheid.
Bent u maandagavond op uw kamer gebleven?
U bent niet meer beneden geweest?
Waarom zou ik? Dat mens ging eindelijk weg.
Uw zoon heeft z'n eerste en z'n tweede vrouw niet vermoord.
En z'n vader ook niet.
Laat me uitpraten, mevrouw Serre.
We gaan deze zaak zo netjes mogelijk afhandelen.
We houden ons even niet bezig met de bewijzen. Die komen later wel.
Ik weet vrijwel zeker dat uw eerste schoondochter is vergiftigd.
Het was geen agressief vergif zoals arsenicum, dat vaak wordt gebruikt.
Uw zoon z'n eerste en tweede vrouw hadden een hartkwaal.
En bepaalde medicijnen die voor anderen onschadelijk zijn...
kunnen dodelijk zijn voor hartpati�nten.
In een van de brieven aan haar vriendin...
schrijft Maria dat u met uw man en zoon naar Engeland bent geweest...
en dat u alle drie zeeziek bent geworden...
en door de scheepsarts bent behandeld.
Weet u wat er tegen zeeziekte wordt voorgeschreven?
- Echt niet? - Meestal atropine.
Te veel atropine is fataal voor een hartpati�nt.
- Dus m'n man is overleden aan... - Straks praten we over uw man.
Ook al is er geen bewijs, we weten...
dat uw man de laatste jaren van z'n leven z'n geld heeft verkwist.
Uw geld. U bent altijd bang geweest om armoede te moeten lijden.
Niet voor mezelf, maar voor m'n zoon. Maar dat bewijst niets.
Toen trouwde uw zoon en woonde er een andere vrouw in uw huis.
Een vrouw die dezelfde rechten had als u.
Deze vrouw had ook een hartkwaal. En ze was rijk. Rijker dan u.
Bedoelt u te zeggen dat ik haar heb vergiftigd, net als m'n man?
Dan heb ik Maria zeker ook vergiftigd?
Waarschijnlijk. Omdat ze haar geld met zich meenam.
Toevallig leed zij ook aan een hartkwaal.
Ik vraag me alleen af waarom het lichaam verdwenen is.
Als ze alleen maar vergiftigd was met atropine...
had een arts zonder meer een hartaanval geconstateerd.
Die had ze ook later kunnen krijgen, in de trein.
U lijkt heel zeker van uw zaak, commissaris.
Ik weet zeker dat er iets gebeurd is.
Een onvoorziene gebeurtenis, waardoor uw zoon heeft geschoten.
Laten we aannemen dat Maria onwel werd toen ze een taxi belde.
Ze vertrouwde het niet. Ze kende u tenslotte al langer.
Ze ging naar de werkkamer. Daar was u.
- Hoe weet u dat ik daar was? - Omdat ze u meteen verdacht.
Dood door vergiftiging is negen van de tien keer het werk van vrouwen.
Ze dacht aan u en als u op uw kamer was geweest, was ze daarheen gegaan.
Misschien heeft ze u bedreigd of wilde ze de politie bellen...
- maar u had geen keus. - Dus ik heb haar vermoord?
Waarschijnlijk heeft uw zoon geschoten.
Die heeft uw werk afgemaakt.
- Wilt u iets drinken, chef? - Nee. Ga maar naar huis, jongen.
Uw zoon neemt alle schuld op zich. Ik kan 'm daar niet van weerhouden.
Tot nu toe heeft hij ontkend, en hij is in staat om dat vol te houden.
- Tenzij... - Tenzij wat?
Ik heb 's een man verhoord die veertien uur z'n mond hield.
Uw zoon is ervan overtuigd dat u het voor hem hebt gedaan.
Omdat u hem goed verzorgd wilde achterlaten. En uit jaloezie.
Maar dat is niet zo.
U bent niet bang dat hij, iets te kort komt, maar u zelf.
Die moorden waren niet om hem. En nu bent u bang dat hij doorslaat.
Het kan u niet schelen dat hij naar de gevangenis moet of wordt ge�xecuteerd.
Als u maar rustig thuis uw geld kunt blijven tellen.
Gaat u zitten, mevrouw Serre.
Meneer Serre kan gaan. Het is afgelopen.
- Ik heb niets bekend. - Dat maakt niet uit.
Ik had verder kunnen gaan, u met uw zoon laten praten.
Maar er zijn al genoeg slachtoffers voor ��n oude dame.
U zou 'm die pillen hebben gegeven en dan had hij nooit meer gepraat.
De rivierpolitie heeft gebeld. De duiker heeft een hutkoffer gevonden.
De rest volgt nog wel.
Breng haar naar het huis van bewaring. Hij ook, als medeplichtige.
- Zijn ze er nog? - Ze gaan net weg.
Het is voorbij. Je mag naar huis.
Heeft hij bekend?
Nee. Zij heeft het gedaan.
Wat is er, Ernestine?
Niks, commissaris.
Maar het had gekund dat u me niet had geloofd.
Gedownload van www.nlondertitels.com
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.