Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Portuguese (Portugal)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
- Hoe laat was het? - Net zo laat als nu.
- Dat wil zeggen? - Kwart over tien.
Hoe weet u dat?
U let slecht op voor een rechercheur.
Ik ben geen rechercheur, maar commissaris.
Wat had u gekocht?
- Goedemorgen, Mme Chochoi. - Morgen.
- Mooi weer vandaag. - Nog wel. Wat kan ik voor u doen?
Twee karbonades, een pond lichtgezouten boter en haarspelden.
Nog meer haarspelden?
De commissaris wil dat ik doe wat ik dinsdag deed.
Wat had ik nog meer gekocht? O ja, melk. Stik, m'n kan vergeten.
Al die vragen van u maken dat het me duizelt.
Wat zei ik dinsdag nog meer?
Dat m'n poes vast wormen had.
Ik weet het weer. U wou ook het Ciné-Journal en een stuiversroman.
Was dat 'De liefde wacht' of 'Rebelse harten'?
Hoeveel krijgt u van me? Maar vlug, dinsdag ben ik niet lang gebleven.
De arme man. Hij had al maar één been. Een moeilijk leven.
Wat betreft dinsdag, Mme Chochoi...
hebt u toen geen auto langs horen komen?
Ik heb een kleine rode auto langs zien komen. Dat weet ik nog.
- Reed die richting Houtenbeen? - Mr Lascours, graag.
Hij had een naam en dat weet u best.
Neemt u me niet kwalijk.
Bent u altijd zo fel?
De trein van 10 uur 59.
- Er is niets voor u. Tot morgen. - De postbode.
- Bent u zo gelopen? - Ja, dat is korter.
Het huis van Mr Lascours.
Hij had hier moeten zijn. Hij was begonnen de grond om te spitten.
Dat was dus tussen 10 uur en 10 uur 40.
Hij was niet buiten. Ik dacht dat hij een glas rosé was gaan drinken.
Dronk hij veel? U zei dat hij nooit alleen dronk.
- Wel als hij dorst had. - Of bezoek had.
Hij hield niet van bezoek. Er kwam nooit iemand.
De kas.
Er stond geen tweede glas, Félicie?
Mlle Félicie, graag. Ik heb nooit paardjegereden op uw knieën.
Neem me niet kwalijk, Mademoiselle.
Ik weet zeker dat er een tweede glas stond.
Zie dan maar dat u het vindt.
Vervelende meid.
Wat gaat u doen als de familie is geweest en hij begraven is?
Weet ik niet.
Bent u van plan om hier te blijven?
Misschien.
Ging u na de kruidenier naar de keuken, op de dag dat uw baas stierf?
Hij was m'n baas niet.
Misschien zagen anderen me als z'n dienstmeid, maar zo zag hij me niet.
Was u z'n maîtresse?
Waar ziet u me voor aan?
Wat dan? Z'n dochter? U maakt het me wel moeilijk.
Wat hebt u gedaan toen uw baas niet in de tuin was?
- Hij was m'n baas niet. - Goed, Mr Lascours dan. Nou?
Is dat niet te zien?
Ik heb de boodschappen opgeruimd en de melk op het vuur gezet.
En heb ik de vliegenvanger vervangen.
Met uw hoed nog op?
- Wat hebt u tegen m'n hoed? - Niets. Integendeel.
Ik vind die veer leuk. Die trilt mee als u zich opwindt.
En daarna?
- Daarna ben ik naar m'n kamer gegaan. - Dan gaan we daar nu heen.
Toen bedacht ik dat ik het raam van Mr Jules niet open had gezet.
En ben ik naar de kamer hiernaast gegaan. Moet ik dat nu ook doen?
Ik deed de deur open...
en zag hem daar liggen.
- En toen gilde ik. - Dat hoor ik, ja.
- En de revolver? - Er was geen revolver.
U hebt het politierapport toch gelezen?
Hebt u een minnaar?
- Nogmaals, hebt u die? - Dat zijn mijn zaken.
Praat niet als in een stuiversroman. Ontvangt u hem hier?
Vraag ik u of u een maîtresse hebt en waar u die ziet?
U bent erg pedant. Het gaat hier wel om een moord.
Ik zou het trouwens weten als u er een had.
Natuurlijk. U bent zo slim.
Ontegenzeglijk.
- Mag ik het huis niet verlaten? - Nee.
- En als ik ergens heen wil gaan? - Dan waarschuwt u ons. Mij dus.
- Gelooft u dat ik hem heb vermoord? - Wat ik geloof, gaat u niet aan.
Wanneer had hij z'n pensioen geïnd?
De dag ervoor. Al het geld was er nog. Hij was niet bestolen.
- Zij weet iets, dat weet ik zeker. - Wie? Het dienstmeisje?
Laten we nu bidden voor z'n zielenrust.
Volg haar. En verlies haar vooral niet uit het oog.
- Hebt u een vuurtje voor me? - Wat doet u hier?
Ik verstop me.
- Woont u niet bij Houtenbeen? - Ja.
De moordenaars zoeken me. De juten snappen niks en kunnen niet helpen.
Ik kan het nu niet uitleggen. Ik moet naar Parijs.
Het is een kwestie van leven of dood.
Bedankt voor alles.
Dus u neemt me mee naar Parijs?
- Ze is ervandoor. - Ervandoor? Waar is dat gebeurd?
Ze moet in de bestelwagen gekropen zijn van André Guillot.
Hij ging naar Parijs.
- Jong? Oud? - Eerder jong.
Ik heb de Quai des Orfèvres het registratienummer doorgebeld.
- Waar is Félicie? - In Parijs.
- Op slot. Hebt u de sleutel? - Nee, die heeft Félicie.
- Nee hè, ze heeft hem meegenomen. - Op naar de slotenmaker.
We kunnen via de voorkant binnenkomen.
Hoe kan dat nou?
Janvier, maak jij de deur even open?
Ik lust wel een wijntje. Dat heeft m'n broer vast wel.
In de kas staat rosé.
Nog meer rekeningen. En bankafschriften.
Waarom een testament?
Hij had alleen mij en Jacques, de zoon van onze overleden zus.
- Toch had Félicie het erover. - Wat weet zij ervan?
Jules was een aparte, maar hechtte aan familie.
Ik heb het, geloof ik.
'Te openen na mijn dood.'
Testament van Jules Lascours...
opgesteld in aanwezigheid van Fromentin, Jean en Lepape, François.
Gezien de houding van m'n broer en z'n vrouw na m'n ongeluk...
en gezien het wangedrag van m'n neef Jacques Pétillon...
laat ik het huis en alles wat het bevat na aan Félicie Julien.
Maar... Ik snap het niet. Laat eens zien.
Er moet nog een testament zijn. Dit kan niet.
- Je mag je familie niet onterven. - Dat geldt alleen voor je kinderen.
- Ik mag toch wel een aandenken hebben? - Volgens de wet niet.
Wet of geen wet, dit horloge was van m'n vader. Het gaat mee.
Ik had hem het tafelzilver gegeven. Dat wil ik terug.
Van je familie moet je het hebben.
Bel de Quai en vraag of ze nieuws hebben over de erfgename.
En reserveer een kamer voor me in het hotel.
Waarom is hij vermoord?
O, bent u er weer?
- Ik miste u. - Eindelijk een lieve opmerking.
Kijk, ik heb het teruggevonden, dat tweede glas.
Bravo. Bent u al opgeschoten?
- Wel wat. Dit bewijst dat uw baas... - Hij was m'n baas niet.
Houtenbeen dan. Pardon, Mr Lascours.
Dit bewijst dat hij z'n moordenaar kende.
En u ook, neem ik aan. U hebt het glas verstopt.
- Kunt u koffiedik kijken? - Nee, wel logisch denken.
En, was het leuk in Parijs?
Wat hebt u er allemaal gedaan, als ik mag vragen?
- Ik heb gewandeld. - Ik zou het trouwens weten.
- Dankzij die imbeciel die me volgde? - Welke imbeciel?
Een donker type met een krant voor z'n neus. Ik ben 6 keer overgestapt.
Zet die hoed toch af. Hij past niet bij u.
Ik had u gevraagd het huis niet te verlaten.
O ja? Helemaal vergeten.
- Hoe wist u dat u zou erven? - Dat wist ik gewoon.
Dan kunt u dus koffiedik kijken.
- Bedankt voor de gastvrijheid. - Geen dank.
- Brengt u de nacht hier alleen door? - Ik woon hier.
En u? Moet u niet naar huis, naar uw vrouw, uw kinderen, uw pantoffels?
Dit is geen familiepension.
Hij moest er vast van lusten bij u, die arme man. Of vond hij dat leuk?
Goed, ik kom morgen terug. Hopelijk hebt u dan nagedacht.
Waarover?
Goedenavond, baas.
Heb je die kleine tot hier gevolgd?
Een makkie, door die zwarte voile.
Ze is in de avenue de la Grande Armée afgezet.
Daar heeft ze taartjes gegeten en een port gedronken.
- Wanneer zag ze je? - Ze zag me niet.
- Jawel, dat weet ik. - Verdomme, verdomme.
Sorry.
- Wat voerde ze uit? - Niks. Ze nam aldoor de metro.
Ze sprak met niemand?
Nee, maar om 6 uur gebeurde er wat.
Het was erg vol in de metro. Ze stond voor me.
Opeens draaide ze zich om...
- en keek alsof ze ergens van schrok. - Waarvan? Van jou?
Geen idee. Van iets of iemand.
Toen is ze snel uitgestapt en ik ook. Ze keek de metro na.
- Keek ze naar een speciaal iemand? - Geen idee.
Maar haar gezicht kreeg weer kleur en ze lachte naar me.
- Toen dacht ik dat ze me door had. - En toen?
Ze ging de straat op, nam een taxi naar Saint-Lazare en nu zijn we hier.
Goed, blijf het huis aan de voor- en de achterkant bewaken.
Ik laat het hotel wel een sandwich sturen.
Het zit me vanavond niet mee. Welterusten.
Mr Fromentin, denkt u aan me?
Dat huis van u heeft geen dakgoot en de muur stort in.
Ik heb er verleden week over gebeld. Morgen sturen ze iemand.
- Wordt u onze vierde man, commissaris? - Nee, ik kijk liever toe.
- Wil jij Houtenbeen vervangen? - Niet als dode.
Nee, we kappen ermee. Jij kunt niet bridgen. Laten we klaverjassen.
- Hoe heeft Lascours z'n been verloren? - Op een schip.
- Was hij zeeman? - Boekhouder.
In een magazijn van de marine.
Hij was aan boord om de boekhouding te doen.
Er werd flink gepimpeld. Wat er precies is gebeurd?
Toen hij wakker werd, had hij een kater...
en was het schip op weg naar Kaap Hoorn.
Ze waren hem vergeten.
- Liet de kapitein niet omkeren? - Dat wou hij niet.
Hij kwam terug met één been.
Hij was aan boord in een luik gevallen.
Iedereen lachte hem achter z'n rug om uit, zelfs z'n broer.
Dat kon hij niet verdragen. Hij wist dat die grond van mij was.
Nu nog ben ik die perceelsgewijze aan het verkopen.
Houtenbeen werd verliefd op een oude villa, die ik wou slopen.
Waanzin. Maar hij wou hem restaureren.
- Had hij geld? - Nou en of.
Hij had het bedrijf aangeklaagd en kreeg een knap invalidenpensioen.
En z'n neef, Jacques Pétillon, kent u die?
Die is muzikant. Ik geloof op Montmartre.
Hij woonde een tijd bij Houtenbeen, maar dat ging niet.
- Hoezo? - Die ouwe hield niet zo van muziek.
- Of het was dat gedoe met Félicie. - Wat voor gedoe?
- Het zijn maar roddels. - Ik ben gek op kletspraatjes.
Die ouwe gaf z'n kamer aan Jacques en nam de kamer van Félicie.
- En waar moest zij slapen? - In een soort rommelhok.
Om er te komen, moest ze door de kamer van de ouwe.
Was de kamer van de jongen beter geweest?
Van de doden niets dan goeds, maar die ouwe was een stijfkop.
Daarom is de muzikant vertrokken. Vrek, mopperpot, pietlut.
Met Félicie kibbelde hij ook de hele dag.
- Maar dan had zij het laatste woord. - Ja, het is een pittig type.
Ruziemaken verdrijft de verveling.
Er is hier niets te doen, behalve kaarten en tuinieren.
Hebt u telefoon, Mr Emile?
Nee, u moet wachten tot morgen. Het postkantoor is hier tegenover.
Pétillon woont op Montmartre of in Pigalle.
Probeer meer over hem te weten te komen. Wat hij speelt? Geen idee.
Maar ik zie hem nog geen accordeon spelen.
Zoek het zelf maar uit. Nee, ik blijf hier.
Je kunt me bellen op het postkantoor hier.
- Het is daar warm. - Boeiend, politiewerk.
- Hier gebeurt nooit iets. - Er is wel een moord gepleegd.
- Verwacht u telefoontjes? - Dat zou kunnen.
U kunt me helpen, als u dat wilt. Dan bent u m'n verbindingsofficier.
Als ze u bellen, geef ik u een seintje. U kunt op me rekenen.
Ik moet naar Lascours. Ik stuur een inspecteur.
Wilt u m'n fiets lenen?
Ze is thuis. Ze is alleen vroeg brood gaan kopen.
- Geen bezoek? - Van niemand.
Goed, ga nu maar slapen.
Goedemorgen. Nog altijd goed geluimd?
Links de neef.
En aan de andere kant Houtenbeen.
De kamer van de ouwe.
En Félicie hier.
13 januari. Waarom is hij niet gekomen?
15 januari. Wat een foltering.
19 januari. De foltering van de onzekerheid. Is het z'n vrouw?
20 januari. Zwaarmoedig.
21 januari. Eindelijk weer vervoering.
- Hoe heet hij, die grote liefde? - Dat gaat u niet aan.
Is hij getrouwd?
2 februari. Hij is er nog steeds. Z'n lippen. Geluk.
8 februari. De wereld is verrot. Afscheid. Ik heb hem lief, zo lief.
Is het de chauffeur van die bestelwagen, Guillot?
- Wie? - Nee, hij is het niet.
Hij deed alleen dienst als taxi. Maar wie is het dan?
Ik geef geen antwoord.
Ontving u hem hier en wist uw baas dat?
Misschien dronken ze samen af en toe een glas?
Wat ben ik stom.
Hij heeft een kamer hier in huis. Het is de neef, de jonge Jacques.
Hij? Kom nou, zeg. Dat is een kind.
De wereld, een vals paradijs met niet genoeg geluk voor iedereen.
Dat is maar al te waar, arme Félicie.
U bent gemeen.
En u bent een leugenaarster.
Ik heb het wel gezien, hoor.
Mme Chochoi, heeft de kleine Félicie minnaars?
Ik heb haar nooit met iemand gezien, maar dat zal best.
Ze gaat elke zondag naar de danstent.
Daar heb ik ook m'n man leren kennen. Vroeger.
Maar zoiets moet u aan Léontine vragen.
- De meid van Mr Fromentin. - Aha, Mademoiselle.
Zij gaat ook elke zondag naar de danstent, samen met Félicie.
Niet bang zijn.
Niet bang zijn.
- Ik doe u echt niets. - Wat wilt u van me?
Niet bang zijn. Ik ben commissaris Maigret van de recherche.
Ik wil u wat vragen stellen.
U bent toch de beste vriendin van Félicie?
Jullie vertellen elkaar jullie geheimen.
- Heeft ze een vrijer? - Hij maakt haar ongelukkig.
- Ze heeft zelfmoord willen plegen. - Is de man in kwestie niet vrij?
- Geen idee. Het is ingewikkeld. - Steeds nieuwe wendingen?
Dan is er weer hoop en dan weer niet. Er zijn allerlei belemmeringen.
Ze kan mooi vertellen, Félicie.
Hebt u die held van haar weleens gezien?
Nee, maar hij is erg knap. Wie het is, wil ze niet zeggen.
Misschien is het maar een vluchtig avontuurtje.
Of iemand van wie ze droomt.
Nee, ze zijn minnaars.
Verleden jaar was ze bang dat ze zwanger was.
Maar vraag het haar liever zelf.
Wat heeft ze nu weer verzonnen, dat kreng?
De chauffeur wist niet dat ze in z'n busje zat.
Hij schrok ervan, hij kende haar niet.
Het is klaar. Twee gevulde kippetjes.
Wij zijn ongevoelig voor sarcasme. Gevuld met wat?
- Met zuring. - Wat een humor.
- Onvoorstelbaar. - Als het maar smaakt.
- Nog nieuws over de neef? - Hij zit in de Rue Lepic.
Janvier volgt hem sinds vanmorgen.
Hij loopt alle cafés af. Kennelijk zoekt hij iemand.
- Wat speelt hij? - 's Nachts saxofoon.
Overdag viool op het conservatorium. Hij wil een groot solist worden.
Als je je kip op hebt, ga je terug naar het huis.
Een vreemd onderzoek. Moet u nu niet in Parijs zijn?
Ik heb het gevoel dat ik hier moet zijn. Vraag me niet waarom.
Mr Maigret, telefoon uit Parijs.
Hij kwam om zes uur 's ochtends terug, totaal uitgeput.
Hij sliep met z'n kleren aan. Op z'n werk was hij niet verschenen.
- Waar ben je nu? - Gare Saint-Lazare.
Hij gaat naar Rouen en lijkt nerveus. Wat doe ik nu?
Blijf hem volgen en hou me op de hoogte.
Wilt u hem daar niet oppikken om hem te spreken?
Dat komt later wel.
Hallo, met mij.
Nee, zondag is geen goed idee.
Gevallen voor haar charme?
Ik heb liever tien zware jongens. Die zijn minder onvoorspelbaar.
Luister, ik bel je nog wel.
Ga naar de film.
Dikke kus.
Wat is er nu weer?
Wilde niemand met u dansen?
Vertel me maar wat er is.
- U hebt me dus weer gevonden. - Zo moeilijk was dat niet.
Maar leid m'n inspecteur niet meer om de tuin.. Hij stort zowat in.
Nu nog een Houtenbeen.
Toen ik u uit de verte zag, dacht ik dat u Mr Jules was.
- Dat alles weer als vroeger was. - Ik heet ook Jules.
Echt waar?
Dat had ik nooit gedacht. Ik dacht eerder Charles of René.
Ik laat me niet voorstaan op m'n naam.
Stond Jules 's zondags soms zo op je te wachten?
- Was hij jaloers? - Een beetje.
Hij was alleen, dus dat is normaal.
- Huilt u om hem? - Nee.
Ik kan er gewoon niet meer tegen.
Ik word altijd bewaakt. Wat hebt u tegen mij?
Helemaal niets.
Waarom laat u me dan niet met rust?
Ik heb niemand die me kan beschermen. Ik ben ongelukkig. Te ongelukkig.
Wees nou redelijk. Ik vraag u alleen om me te helpen.
- Hebt u de moordenaar gezien? - Daar gaan we weer. Ik verafschuw u.
U bent de enige die van z'n dood profiteert.
- Ik had u moeten arresteren. - Doe maar. Ik ben er klaar voor.
- Waar zijn de handboeien? - Hou op met die onzin.
U hebt een hart van steen.
- Ik ben bang voor onweer. - Dat hoeft niet. Ik ben er toch?
We gaan naar huis.
Niet zo bang zijn.
U bent al net zo als Fromentin. Alle mannen zijn hetzelfde.
- Wat heeft Fromentin ermee te maken? - Hij valt me lastig.
Hij wil me z'n bed in praten. Is dat wat u ook wilt?
O nee, daar hoeft u niet bang voor te zijn.
Zo onweerstaanbaar bent u niet.
En van hysterische meisjes krijg ik kloosterneigingen.
Ik had nooit terug moeten komen.
- Ik ga hier weg. Ik vertrek. - Waarheen?
Dat weet ik niet. Ergens waar u niet bent.
Als u Jacques Pétillon zoekt...
kan ik u zeggen dat die niet in Parijs is.
Ik heb gehoord dat hij in Rouen zit, in een publiek huis.
- Een bordeel dus. - Leugenaar. Dat is niet waar.
Dus hij is de uitverkorene? Hij heeft nog jeugdpuistjes.
Wat kan mij dat schelen? Ik heb niks met hem te maken.
Arme Félicie, wilt u hem soms redden?
Ik ben uw arme Félicie niet en ik wil niemand redden.
En verder geef ik geen antwoord meer op uw vragen.
- En volg me niet meer of ik bel. - Wie? De politie?
Ga toch weg.
Wat wilt u nu eigenlijk?
Dat was vlakbij. Het is gevaarlijk om buiten te zijn als het onweert.
Wilt u niet even binnenkomen?
Alstublieft, dan maak ik koffie voor u.
- Hoe lang woont u hier al? - Zeven jaar.
Dan was u nog piepjong toen Houtenbeen u uit Fécamp weghaalde.
Vijftien, zestien?
- We moeten de kaarsen aansteken. - Hoezo? De dodenwake is voorbij.
- Elektriciteit is nu gevaarlijk. - Welnee.
Drink dat op en ga slapen.
Ik kan toch niet slapen, zo alleen hier.
Beseft u wel wat u zegt?
Ik ben bang, heel bang om alleen te zijn.
Dapper zijn. U hebt al heel wat ergers doorstaan.
- Hoe is het met de neef? - Die is uitgeput.
Janvier wil dat hij aan u bekent.
Breng me maar terug naar Parijs. Weet u waar we moeten zijn?
- En ik? - Jij blijft bij Félicie.
- Heb je nog iets te roken? - Altijd.
Félicie. Aldoor Félicie.
Blij u te zien, baas.
Die jongen kan niet meer. Hij is op, het uilskuiken.
In de trein terug wilde hij al bijna z'n hart uitstorten.
Ik neem het over. Nam hij een meisje mee uit Rouen?
Nee, hij zocht ene Adèle, maar vond haar niet.
- Ik moet met u praten. - Ik weet het. Maar niet hier.
We gaan er niet mee te koop lopen.
- U moet het vannacht zonder hem doen. - Dat moet dan maar.
Het is beter als ik u alles vertel.
Ik kan het niet meer verdragen. Ik stort nog in.
We hebben alle tijd. Kom eerst maar eens tot bedaren.
We gaan naar mijn kantoor. Heb je iets gegeten?
- Nee, ik heb gedronken. - Wil je een broodje?
Nee, ik heb geen honger. Ik voel me ziek.
- Is ze je maîtresse? - Wie?
- Félicie. - Félicie? Nee, waarom?
Snel, een dokter.
Een dokter.
Vannacht is musicus Jacques Pétillon recht in de borst geschoten...
door een onbekende, die per taxi vluchtte.
Er is meteen een zoektocht op touw gezet, maar de moordenaar ontkwam.
- Toch niet de neef van Houtenbeen? - Jawel, dat is hem.
Men denkt dat het om een afrekening gaat of om minnenijd.
De man is naar Beaujon gebracht. De politie onderzoekt de zaak.
Het is mijn schuld.
Ik wilde dat hij eerst wat opknapte. Hij was op van de zenuwen.
Hij had die dag heel wat te verduren gehad.
Hij wilde praten, maar ik snoerde hem de mond.
Het was iemand uit de onderwereld, geen amateur.
En ik gedroeg me als een debutant. Dit zal me nog lang heugen.
Een taxichauffeur beurt 200 franc als hij snel wegrijdt na een schot...
dat zogenaamd een grap is. Het lijkt erop dat de dader in de taxi zit.
- Kon de chauffeur hem beschrijven? - Een kleine man in een grijs kostuum.
Meer niet.
Hij had in het halfdonker z'n gezicht niet gezien.
Hier was het rustig, afgezien van de regen. Mag ik terug naar Parijs?
Nee, ze zijn met velen. Ik heb je hier nodig.
Heb je de baas van de danstent gesproken?
Félicie gaf haar partner een klap. Ze vond hem iets te brutaal.
- Ik ben bijna blij haar terug te zien. - Toch is het geen makkelijke.
Ze doet alsof ze niet klein te krijgen is, maar is breekbaar.
Bent u nu tevreden?
- Bent u van de trap gevallen? - En dat met de politie voor de deur.
- Zat die waakhond te slapen? - Doet het pijn of is het make-up?
Nee, het is geen make-up. Ik ben vannacht aangevallen.
De moordenaar is terug. Dat hoopte u toch?
Maar ik dacht niet dat hij zo snel zou komen. Dan was ik gebleven.
- In elk geval... - In elk geval wat?
Nee, niks.
Kom even zitten. Op deze bank hier.
En kijk niet naar me of u me wilt bijten.
Wat is er gisteravond gebeurd toen ik weg was en wat hebt u gedaan?
- Niets. - Hebt u de deur wel vergrendeld?
Ja, zoals altijd.
Ik was bang.
Toen hoorde ik een schurend geluid in de kamer van Lascours.
En natuurlijk deed u het raam open om Christiani te waarschuwen.
- Nee. - Nee? Waarom niet?
Dat zeg ik niet. U gelooft me toch niet.
Dan zeg ik het.
- U wilde iemand beschermen. - Als u het zegt. U weet toch alles.
Nee, niet alles. Nog niet.
In plaats van uw kamer af te sluiten en te wachten...
snelde u naar buiten om te zien wie de moordenaar van Lascours was.
U wist dat hij u niets zou doen.
Dacht u dat het Jacques Pétillon was?
Helaas bevond die zich op dat moment bij mij in Parijs.
- Was Jacques bij u? - Ach, noemt u hem bij z'n voornaam?
U irriteert me. Ga weg, ik wil u niet meer zien.
Nee, ik wil de rest ook horen.
U deed de deur open, slechts gewapend met uw moed...
En ik kreeg een knal voor m'n kop.
- Hebt u uw agressor gezien? - Nee.
- Ik was van de kaart en 't was donker. - Dat vreesde ik al.
U mag best een beetje meeleven. Uit beleefdheid.
Zijn dit mijn voetafdrukken?
We gaan boven kijken.
- Hebt u die stoel verplaatst? - Nee. Gisteren stond hij bij het bed.
Hoe laat was het?
Ik heb later gekeken. Het was half vier.
Hij is hier geweest en nam er de tijd voor.
Waarom hebt u toen niet om hulp geroepen?
En vanmorgen hebt u ook niets gezegd.
Ik heb op u gewacht. Ik wist dat u zou komen.
Ging u gisteravond Jacques opzoeken?
Hij heeft een ongeluk gehad.
Hij ligt in het ziekenhuis.
Iemand heeft op hem geschoten.
Is hij dood?
Geef antwoord. Is Jacques dood?
Nee, maar het heeft weinig gescheeld.
- Ik kon niets doen. - Was u erbij toen het gebeurde?
Het is uw schuld. Ik verafschuw u.
Ik haat u.
Had die voile maar thuisgelaten. Hij is nog niet dood.
Is het daar? Arresteert u hem als het beter gaat?
- Wordt hij daarom bewaakt? - Ja, en om hem te beschermen.
Commissaris Maigret. Ik wil Jacques Pétillon zien.
Heel even. Hij is nog bewusteloos. U kunt hem niet spreken.
Geen eten. Hij ligt aan het infuus.
Ik geef het wel aan de kinderen die hier liggen.
Niet praten en geen lawaai maken. Hij is erg zwak.
U moet hem redden.
Doe alles om hem te redden.
We melden het u als hij bijkomt.
Alstublieft. Spaar kosten noch moeite. En als er geld nodig is...
- Daar is geen sprake van. - Jawel, ik sta er op.
Hij wordt heus goed verzorgd.
Denkt u? Zweert u me dat hij niet zal sterven?
Hij is jong, heeft reserves. Heb er vertrouwen in.
Alstublieft, ga u nuttig maken.
Om de gemoederen te sussen, gaan we samen lunchen.
Als oude vrienden... of oude vijanden, als u dat liever hebt.
Als vrienden, voor deze keer.
Maar probeer me niet uit te horen, ik zeg toch niets.
Maar u kent de waarheid wel.
- Je was vast ongelukkig in Fécamp. - Waarom denkt u dat?
- Heb je veel broers en zussen? - Zeven.
Ik zie je zo voor me, als tienjarige.
- Een opgeschoten slungel. - Ja, zo mager als een garnaal.
Je bent niet echt veranderd.
- Toch wel een beetje. - Misschien de lippenstift.
- Ik kon met een rederszoon trouwen. - Vast wel.
Maar dat wilde je niet?
Hij had rood haar. Daar hou ik niet van.
Hoe kwam Lascours ertoe om Jacques Pétillon in huis te nemen?
Hij wou hem opzoeken en kwam hem op straat tegen.
- En hij kreeg medelijden. - Met wat?
Mag ik nog wat saus?
Jacques helpt vaak met het uitladen van kratten groente in de Halles.
- Dat is geen schande. - Integendeel. Dat vergt moed.
Dus z'n oom nam hem mee en gaf hem z'n eigen kamer.
Het was niet wat u denkt.
Dat neemt niet weg dat hij jullie zo allebei in de gaten kon houden.
Waarom joeg hij hem weg? Wat had hij ontdekt?
Niets.
Viel er niets te ontdekken, Félicie?
Was je zijn maîtresse niet?
Dat is niet erg, hoor. Dat komt wel terecht, net als in romans.
Wil je een dessert?
Met room?
- Wat heb je? Bedaar toch. - Ik heb me verslikt. Ik ben zo terug.
Ik wil graag naar huis.
Een ogenblikje. Ik ben zo terug.
Politie. Mag ik het briefje dat de ober u net gaf?
Een briefje? Waar hebt u het over?
Of moet ik u arresteren wegens medeplichtigheid aan moord?
Zeg niets, onder geen voorwaarde.
Gooi u weet wel in de Seine. Het is een kwestie van leven of dood.
Ik voelde iets in m'n zak en wist dat het een revolver was.
- Wanneer was dat? Zaterdag? - Na kantoor, in de metro.
Tijdens het spitsuur?
Het meisje in de rouw met wie ik lunchte, drukte zich tegen u aan.
Ze liet de revolver in uw zak glijden en stapte uit voor de deuren sloten.
- Hoe weet u dat? - Waar is de revolver?
In m'n nachtkastje. Ik was bang. Ik wist niet of hij geladen was.
Dat weet ik nog steeds niet, want ik weet niks van wapens.
Ik wou naar de politie gaan, maar dat meisje met die voile...
- leek zo eerlijk en ontredderd. - U bent veel te gevoelig.
Maar ik kende haar niet voordat...
Voordat ze u opscheepte met dat wapen. Woont u in de buurt?
Nee, maar m'n kantoor is vlakbij. Ik kom hier elke dag lunchen.
U hebt wel pech.
Ze koos u uit omdat u een onbekende was die ze nooit meer zou zien.
En wie komt ze tegen, als ze met een smeris luncht? U.
- Gaat u me arresteren? - Niet als u doet wat ik zeg.
Janvier? Met mij. We hebben het wapen teruggevonden.
Kom naar Cadran Solaire, het restaurant tegenover Beaujon.
- Monsieur... - Charles Morin.
Mr Morin wacht er op je. Ga met hem mee en breng het wapen naar het lab.
Heeft dat meisje... Denkt u dat zij...
Wacht hier even. En geen domme dingen doen.
- Over een half uur gaat er een trein. - Wil je geen koffie meer?
Koffie maakt me nerveus. Kom.
- Je bibbert helemaal. Heb je het koud? - Een beetje. Al die emoties.
Het duurt nu niet lang meer.
- Er komt schot in het onderzoek. - Mooi zo.
- Gaat u met mij mee terug? - Ja, wees maar niet bang.
Ik laat je niet meer gaan.
We lijken wel een oud, getrouwd stel.
Een niet bij elkaar passend stel. Ik voel me belachelijk. Jij niet?
Bent u getrouwd? Ach natuurlijk, uw trouwring.
- Heeft uw vrouw bruin of blond haar? - Blond. Van nature.
- Wat moeten die politieauto's hier? - Die zijn er voor jou.
- Kom mee. - Voor mij? Hoezo?
Je bent gisternacht toch aangevallen?
Ze proberen de agressor te identificeren.
Aan de hand van afdrukken, sigarettenas, draadjes en zo?
Ja, want die revolver vinden ze niet meer. Die ligt allang in de Seine.
- Denkt u dat? - Absoluut.
Tenzij we geluk hebben. Maar dat hebben we alleen in detectiveromans.
Hij droeg handschoenen en nieuwe schoenen. Dat zal weinig opleveren.
Janvier heeft Jacques' kamer in Parijs doorzocht.
Maar die was al doorzocht.
En dat meisje dat hij zocht in Rouen? Adèle? Is daar nog nieuws over?
Die bleek aan de Côte d'Azur te zitten.
Ze is nu in Parijs, waar haar man net uit de gevangenis is ontslagen.
- Wie is haar man? - Dat weten we nog niet.
Hebben ze Montmartre en Pigalle afgezet?
- Gaan ze weer alles overhoop halen? - Welnee.
Wees lief en maak koffie voor m'n vriend Christiani.
Ik laat hem hier om op je te passen.
- Tot vanavond. - Gaat u weer naar Parijs?
Hoezo? Heb je er iets laten liggen?
- Een Smith & Wesson? - Daarmee is hij vermoord.
- Een boevenwapen. - Afdrukken?
Alleen die van Morin, die hem in z'n zak had.
Félicie heeft hem drie dagen bij zich gedragen.
Ze wist dat huis en tuin doorzocht zouden worden.
Dus ontdeed ze zich ervan in de metro.
Heel gewiekst van haar.
Had zij die revolver? Denkt u dat zij haar baas heeft vermoord?
Dat zou me verbazen. Het lijkt me het werk van een beroeps.
Nee, Félicie denkt dat Jacques Pétillon de moordenaar is.
Ze is verliefd op hem en wil hem beschermen.
Tussen twee haakjes...
weten we wie de kamer van Jacques heeft doorzocht?
Volgens de baas, nam een gast een hem onbekend hoertje mee naar boven.
- Adèle? - Zou kunnen.
De man kwam weer beneden.
De baas ging de kamer opruimen. Die was leeg.
Het meisje verscheen een uur later. Dat vond hij vreemd.
- Ze doorzocht Pétillons kamer. - En grondig.
Ze keek in de laden, de kast, onder het kleed.
Ze sneed zelfs de matras en de kussens open.
Iemand schiet Pétillon neer en doorzoekt het huis.
Intussen doorzoekt Adèle, z'n maîtresse, de kamer in Parijs.
Maar ze hebben haast, nemen risico's. Wat zoeken ze?
Ga naar het hotel.
Zeg tegen de dame van de post dat ze ook vannacht nodig is.
- Geef haar bloemen namens mij. - Blijven we hier?
- Heb je iets tegen het platteland? - Nee, maar...
Je vraagt je af wat ik doe. Zoals iedereen.
Nou, ik wacht. Ik wacht domweg tot Félicie uit de plooi komt.
Hij start een operatie op en geeft de touwtjes uit handen.
Parijs mag het zelf uitzoeken.
Hou op met die spelletjes, Félicie.
Zag de kamer er zo uit toen Jacques hier woonde?
Niet helemaal.
Denk goed na. Ik wil precies weten wat er in de kamer stond.
Het koperen bed, dat nu in het hok naast mijn kamer staat.
- En dat toilettafeltje? - Ja, dat stond er ook.
- En die kast? - Dat is dezelfde.
Weet je dat zeker?
Ja en nee. Mr Lascours had twee van die kasten gekocht.
Ik had liever een kast met een spiegel gehad.
- Heb je gereedschap? - Wat voor?
Dat maakt niet uit. Een schroevendraaier, een beitel.
- Wat gaat u doen? - Hetzelfde als je agressor laatst.
Dit zocht hij.
De krant is van iets meer dan een jaar geleden. Achttien september.
- Weet je wat hier in zit? - Waarom zou ik dat weten?
Hij had een aardig sommetje op z'n kamer, je vriend Pétillon.
230.000 franc.
Wat zeg je me daarvan?
En dat geld lag in de kamer van Jacques Pétillon, niet in het hok.
Die meneer wist waar het lag.
Hij wist alleen niet dat er twee dezelfde kasten waren.
En ook niet dat die ouwe z'n eigen kast meenam naar z'n nieuwe kamer.
- Dit schijnt je niet erg te amuseren. - Jawel.
- Schiet u daarmee op? - O, zeker.
De puzzelstukjes beginnen op hun plaats te vallen. Nu begrijp ik meer.
Zo weet ik nu bijvoorbeeld, hoe bizar het ook mag klinken...
dat Jacques Pétillon z'n oom niet heeft vermoord.
- Daar moet je toch blij om zijn. - Ik ben ook blij. Ik dank u.
Ja, je straalt van vreugde.
Je mag me helpen de onschuld van je beminde te bewijzen.
Liefde is mooi, schaam je niet.
Hij zal genezen en dan vallen jullie elkaar in de armen.
En dan zal hij je bedanken voor alles wat je voor hem hebt gedaan.
Ik heb niets gedaan.
Dat valt nog te bezien. Jij bent tot alles in staat, dat weet ik nu.
- Wat bedoelt u daarmee? - Niets. Niets.
Alleen dat hij zo dankbaar zal zijn dat hij met je zal willen trouwen.
U bent walgelijk, de wreedste man die ik ken.
Wreed, ik? Omdat ik zeg dat je beminde onschuldig is?
Het is een val.
- Wanneer zag je hem voor het laatst? - Vanmorgen, met u.
- Ik bedoel daarvoor. - Ik zeg niets meer.
Dat heb je nu minstens 20 keer gezegd. Het wordt vervelend.
Gelukkig hebben we dit geld gevonden.
Waarom gelukkig?
- Je was z'n maîtresse niet. - Hij had m'n vader kunnen zijn.
Ik heb het over de neef. Je zou hem hebben weergezien.
De ruzie met z'n oom had niks met jullie liefde te maken.
Je zou Jacques hebben verteld dat de kast in het rommelhok stond.
Kun je me volgen?
Dan zou Jacques niet naar de kamer en de verkeerde kast zijn gegaan.
Dan zou hij niet zijn gesnapt door Houtenbeen en zou die nog leven.
Ik laat u hem niet opsluiten.
Je hebt niet eens met hem geflirt. Je kunt me de waarheid vertellen.
Jouw Jacques ligt in het ziekenhuis. Hij was het niet die het geld zocht.
Dus was hij niet degene die het had verstopt.
Het kan zijn dat hij niets weet. Zelfs niet dat jij van hem houdt.
- Dat is waar. - Eindelijk.
Dit is de eerste keer dat je niet liegt.
Een meisje dat droomt van een beter leven. Ik droomde van Robin Hood.
- Word eens volwassen. - Ik ben 23.
Je weet best dat je niet z'n kind bent...
maar een jeugdzonde is leuker dan de meid van een oude mopperpot zijn.
Het is ook een leuker verhaal voor Léontine.
- Nou, ik vertel haar nooit meer iets. - Dat kun je toch niet laten.
En heb je Fromentin vanwege z'n sik afgeschilderd als ouwe bok?
Even serieus.
Degene die z'n buit zoekt, zal zeker terugkomen.
Ik wil dus niet dat je hier alleen blijft.
Ik kom de nacht hier doorbrengen. Sluit je voorlopig op in je kamer.
Ik ben je gast. Wat eten we?
Bloedworst en puree. Maar ik ben uw meid niet.
Nee, maar ook m'n dochter niet.
We hebben een foto van Adèle.
Doorzocht zij de kamer van Jacques?
En ik heb dit in het huis gevonden.
- Het geld van een kraak? - Niet van de loterij.
Maar het gaat mij om de man van Adèle.
Ik wil weten hoe hij heet.
- Is die kreeft voor u, Mr Emile? - Nee, voor de inspecteur.
Geef hem maar wat anders, van kreeft krijgt hij netelroos. Ik pak hem mee.
Ik eet wel een plak ham.
Is de commissaris er? Telefoon.
Kijk in het archief. Geen idee, een inbraak of zo.
Nee, dat is m'n kreeft.
Of een zwendel. Rond 18 september, 13 maanden geleden.
Was dat in die periode?
Zeg het toch maar.
Een inbraak die slecht afliep? Ja, ik weet het weer.
Chez Pédro, Rue Blanche. Eén dode.
Wie ging er ook weer aan de haal?
Albert Babeau, ofwel de Muzikant.
We komen in deze zaak steeds uit op muzikanten of Montmartre.
En hoeveel kreeg hij? Een jaar.
Dat zou kunnen kloppen.
Zoek z'n foto en laat die hier brengen.
- Welterusten durf ik niet te zeggen. - Smakelijk eten.
- Goed, zo gaat het wel. - Denk om z'n scharen.
Ik ben het.
Ik heb een belangrijke vraag voor je, Félicie.
- Kun je mayonaise maken? - Natuurlijk.
Kook deze meneer dan maar.
Ik heb dit nog nooit gegeten.
Het is nog lekkerder dan krab.
- Het is een feestmaal. - Wat vieren we dan?
Het einde van het onderzoek. Ons eerste en laatste maal samen.
Lieve Félicie, op Jules. Niet ik, maar die andere.
Weet u wie hem heeft vermoord?
Dat weet ik morgen, als alles goed gaat.
Arme Jules, hij had een hekel aan avonturen. Hij had geen geluk.
Hij kwam naar dit dorp...
vanwege de rust en de stilte.
- Hij had geen vrouw. - Geen vrienden.
- Geen kinderen, geen vijanden. - Geen geldproblemen.
En als hij dan z'n grond bewerkt en droomt van z'n eigen aardappels...
komt er een hem onbekende schoft met een revolver. Wat een lot.
Het lijkt op het mijne. Ik zocht hier ook rust en nu eet ik kreeft met u.
Wat ik zo leuk aan je vind, is je vitaliteit.
Let op, ik zei niet agressiviteit.
Dat hebt u wel gedacht.
Maar ik val niet aan, ik verdedig me.
- Ik ga de afwas doen. - Nee, je bent te moe.
- Doe me een lol en ga slapen. - Ik kan niet slapen.
Jawel. Hier, neem dit maar.
Niet bang zijn, ik vergiftig je niet. Het is een slaapmiddel.
- Ik ben niet bang voor u. - Jij bent voor niets of niemand bang.
Behalve voor onweer.
Waarom loopt u achter me aan?
Ik wil je veilig op je kamer weten. Je hebt me al zo vaak bedot.
- Ooit krijgt u spijt van uw woorden. - Vast wel.
Welterusten. Droom maar lekker.
- Ik heb foto's van de Muzikant. - Niet zo hard. Ze slaapt.
- Is hij het? Is hij weer vrij? - Sinds dinsdag.
Twee dagen voor de moord. Ben je bij die danstent geweest?
Hij was inderdaad degene die zondag mot had met Félicie.
Verder nog iets?
De Muzikant heeft een vrouw, Adèle. Haar echte naam is Jeanne Duval.
- Waarom noemen ze hem de Muzikant? - Hij speelde piano op Montmartre.
Misschien heeft hij Pétillon daar ontmoet.
Hebben die invallen iets opgeleverd?
Er is een vriendin van Adèle opgepakt die haar pas nog had gesproken.
Ze zei toen dat ze naar Brazilië zou gaan.
Ga gauw terug om je partijtje domino af te maken.
Hoe weet u dat ik dat speel?
Jullie zijn met z'n tweeën en jij kunt niet kaarten.
- Denkt u dat er vannacht iets gebeurt? - Misschien.
Heb je tabak bij je?
- Ik kan ook hier blijven. - Nee, ga vlug terug.
Die auto valt op.
Het ontbijt.
Goedemorgen.
Drink je 's ochtends koffie met melk?
Ze hadden geen vers brood, dus ik heb het oude geroosterd.
Goed geslapen?
Ik hoorde vannacht allerlei auto's. Droomde ik dat of was het echt?
Het was een komen en gaan. Eet, anders wordt het koud.
Is er iemand beneden?
- De moordenaar. - Wat?
Wie is het? Ken ik hem?
Het is Jacques.
U wist het vanaf het begin. U hebt me erin laten lopen.
Je hebt het wel op die arme Jacques gemunt, hè?
Het is een muzikant, maar hij speelt geen saxofoon.
- U wilt me gek maken. - Dat ben je al.
Kom, eet je ontbijt op, dan praten we wat.
Ik dacht wel dat hij het geld zou komen halen. Hij had geen keus.
Hij dacht dat ik in Parijs zat en dat het huis niet werd bewaakt.
- En, smaakt het? - Ja. Waar vond u die kersenjam?
In de kas. Hij was goed verborgen, niet makkelijk te vinden.
- Waarom heb je gelogen? - Daarom.
Een intelligent antwoord. Luister naar me, Félicie.
Waarom heb je niet verteld dat, toen je dinsdag terugkwam van de winkel...
je Jacques door de tuin weg zag rennen?
Je hebt hem gezien, dat weet ik.
Voor hem had Houtenbeen die rosé en die glazen tevoorschijn gehaald.
Hij dacht dat z'n neef zich met hem wilde verzoenen.
Jij dacht dat Jacques hem had vermoord en wilde hem redden.
Je zag de revolver en hebt hem drie dagen bij je gedragen.
Dat was vast niet makkelijk.
Toen liet je hem in de zak van een onbekende glijden, in de metro.
- Hoe weet u dat? - Dat is m'n vak, dingen weten.
Besef je dat door jouw leugens...
Jacques gearresteerd had kunnen worden?
Dus hij was het niet? Spreekt u nu de waarheid?
Ga maar kijken beneden, als je me niet gelooft.
Hij is aan de radiator geketend.
Is dit weer een truc van u? Mij fopt u niet.
Ga m'n kamer uit en laat me me aankleden.
Ik ga kijken.
Wacht. Waarom kwam Jacques uitgerekend op dinsdag?
- Dat had de Muzikant gevraagd. - De muzikant?
Een slechte vriend. Op Montmartre ontmoet je allerlei soorten mensen.
Keer u om. Ik kleed me aan.
Daar gaat onze vriendin Léontine. Je hebt haar heel wat te vertellen.
Haar vertel ik nooit meer wat.
- Wedden van wel? - Ik wed niet met u.
Hebben jullie nog steeds bonje?
Kom terug.
- Kijk me recht in de ogen. - Je trui zit verkeerd.
Probeer me niet af te leiden.
Geef gewoon antwoord. Is Jacques onschuldig?
Dekselse Félicie. Ben je dan niet meer boos op me?
Hij is schuldig, die Jacques van je.
Hij heeft hier vorig jaar onderdak geboden aan een boef op de vlucht.
De Muzikant?
Een lieflijk plekje buiten, een ideaal schuiladres.
Ik herinner me iets.
Ik kwam eens zonder kloppen Jacques' kamer binnen. Hij was toen heel grof.
Dat was niks voor hem.
Het leek of hij iets verborg.
Niet iets, maar iemand.
Iemand die, voordat hij vluchtte, de buit op de kast verborg.
Toen werd hij opgepakt. Hij kreeg een jaar...
omdat niet echt kon worden bewezen dat hij schuldig was.
Waarom kijk je me zo aan?
Nergens om. Ga door.
Toen hij vrij kwam, zocht hij Jacques op...
en vertelde hem dat hij hier iets belangrijks had achtergelaten.
Jacques hield de ouwe bezig, terwijl hij dat ophaalde.
- Ik snap het. - Dat werd tijd.
- Bedankt. - Geen dank.
Ik zal het missen, ons gekibbel.
Ik begin me al net zo infantiel te gedragen als jij.
En daarna? Hoe ging het verder?
- De ouwe hoorde iets en ging kijken. - Ja, hij had een goed gehoor.
De Muzikant raakte de kluts kwijt en schoot.
Jacques schrok en vluchtte. De andere man ook.
Maar jij zag alleen Jacques.
- Jouw Jacques, met hoofdletters. - Niet zo gemeen doen.
Ik kan het niet laten. Er ontstaat een chemische reactie als ik jou zie.
Jij hebt op mij het effect van een rode lap op een stier.
Zelfs de ergste boef speelt dat niet klaar.
Eindelijk een compliment.
Je bent mooi als je lacht.
Nu nog wat aan je haar doen.
- En hoe ging het verder? - Hoe het verder ging, weet je.
De Muzikant maakte je het hof om binnen te komen.
Wat is dat nou weer voor een verhaal?
Je gaf hem zondag een klap in de danstent, weet je nog?
's Nachts kwam hij terug en viel je aan.
- Was hij dat? - Dat was hij.
Wat een schoft. Was hij ook degene die op Jacques schoot?
Ja. Om te voorkomen dat hij praatte. En 's nachts, toen jij vast sliep...
wist hij uit Parijs weg te komen en nam een taxi hiernaartoe.
Omdat hij blut was, schakelde hij de chauffeur uit met een nekslag.
En sloop naar binnen.
Via de tuin, heel rustig, zonder lawaai te maken.
Hij liep langs de keuken. Daar stond een raam open.
- Hebben jullie gevochten? - Nee.
Ik stond achter hem en omknelde z'n nek met m'n arm.
Een efficiënte en verlammende methode.
- En wat deed hij? - Niks. Hij kreunde om adem.
- Bent u gewond? - Geen schram. Geen druppel bloed.
U houdt me voor de gek. Dat zegt u om me niet bang te maken.
En na zo'n nacht gaat u koffie maken.
En komt u me ontbijt op bed brengen.
Dat deed u allemaal voor mij.
Voor mij. Ik kan er niet over uit. Waarom?
Sommige geheimen kun je beter niet ontraadselen.
Daar is Christiani.
Ik ga afscheid van je nemen, kleine Félicie.
Ik heb een stuk waslijn geleend om hem vast te binden.
En ik?
Gaat u weg?
Ga Jacques opzoeken.
Die mag nu vast wel druiven eten.
Uiteindelijk heb ik een hekel aan u.
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.