Afrikaans
Akan
Albanian
Amharic
Arabic
Armenian
Azerbaijani
Basque
Belarusian
Bemba
Bengali
Bihari
Bosnian
Breton
Bulgarian
Cambodian
Catalan
Cebuano
Cherokee
Chichewa
Chinese (Simplified)
Chinese (Traditional)
Corsican
Croatian
Czech
Danish
Dutch
Esperanto
Estonian
Ewe
Faroese
Filipino
Finnish
French
Frisian
Ga
Galician
Georgian
German
Greek
Guarani
Gujarati
Haitian Creole
Hausa
Hawaiian
Hebrew
Hindi
Hmong
Hungarian
Icelandic
Igbo
Indonesian
Interlingua
Irish
Italian
Japanese
Javanese
Kannada
Kazakh
Kinyarwanda
Kirundi
Kongo
Korean
Krio (Sierra Leone)
Kurdish
Kurdish (Soranî)
Kyrgyz
Laothian
Latin
Latvian
Lingala
Lithuanian
Lozi
Luganda
Luo
Luxembourgish
Macedonian
Malagasy
Malay
Malayalam
Maltese
Maori
Marathi
Mauritian Creole
Moldavian
Mongolian
Myanmar (Burmese)
Montenegrin
Nepali
Nigerian Pidgin
Northern Sotho
Norwegian
Norwegian (Nynorsk)
Occitan
Oriya
Oromo
Pashto
Persian
Polish
Portuguese (Brazil)
Punjabi
Quechua
Romanian
Romansh
Runyakitara
Russian
Samoan
Scots Gaelic
Serbian
Serbo-Croatian
Sesotho
Setswana
Seychellois Creole
Shona
Sindhi
Sinhalese
Slovak
Slovenian
Somali
Spanish
Spanish (Latin American)
Sundanese
Swahili
Swedish
Tajik
Tamil
Tatar
Telugu
Thai
Tigrinya
Tonga
Tshiluba
Tumbuka
Turkish
Turkmen
Twi
Uighur
Ukrainian
Urdu
Uzbek
Vietnamese
Welsh
Wolof
Xhosa
Yiddish
Yoruba
Zulu
Downloaded from YTS.MX
Official YIFY movies site: YTS.MX
Goeienavond.
Capitole, het zit vol.
De vorige keer dat ik hier speelde, zat het ook vol.
Dat wil zeggen dat er tijdens corona van mijn publiek
niemand gestorven is.
Wat een weerstand hebben jullie.
Mijn vrouw zegt dat dikwijls: dat ik een enorme weerstand oproep.
Wat heb ik gedaan tijdens corona? Een boekje geschreven.
Het heet Speech. Rustig, blijf zitten.
Je kan het kopen na de voorstelling.
Je kan met bancontact betalen. Niet panikeren. Rustig, rustig.
Wat staat er in dat boekje? Het is een ode
aan de mensen die mij mijn twee favoriete talen aanleerden:
het Algemeen Nederlands en het West-Vlaams. Ja.
Nee, er zitten er geen in de zaal?
Ja? En nu zo: Ja, jawel. Van waar ben je?
Van Poperinge. Is het waar?
Ben je speciaal naar hier gekomen vanuit Poperinge?
Wablief? Een inwijkeling? Maar ik hoor het nog een klein beetje.
Ja. Welkom, Poperinge. Allee jong, ongelooflijk.
En wat staat er nog in dat boekje? Taalspelletjes die ik heel graag speel,
maar waar mijn gezin van zei dat het misschien tijd werd
om ze eens te delen met een ander publiek.
Er staan klinker-klanker-klonkers in, bijvoorbeeld.
Woorden waarvan de medeklinkers dezelfde blijven,
maar je de belangrijkste klinker kunt vervangen
door minstens twee andere klinkers. Met drie klinker-klanker-klonkers samen
moet je een logische klinkende klinker-klanker-klonkerzin kunnen maken.
Je mag een voorbeeldje geven, Poperinge.
Nee? Het zit niet klaar, heb ik de indruk.
Door het drinken van dranken word je dronken. Ben je mee, ja?
Je pest mij als je op mijn post pist. Dat is nog eentje.
Hoe dikwijls gebruik je dat soort zinnen in de werkelijkheid?
Kun je een klein beetje forceren.
Dan leg ik 's avonds een blauwe bosbes in mijn brievenbus
om 's ochtends verwonderd te kunnen zeggen:
Er zit een bes uit het bos in de bus.
Of ik kruip op een ladder en leg een tweede laag dakpannen
en als Marjan vraagt wat ik doe, zeg ik: Ik dek het dak te dik.
Soms wordt ze er kwaad van, als ik na een vluggertje tevreden zeg:
De snul zat snel in de snol.
Maar dan heb ik minder lol als ze me een lel geeft op mijn lul.
Hier, nog eentje. Boekje vol.
En verder was het in onze sector verplicht niet mogen werken.
En Marjan en ik hebben van de nood een deugd gemaakt
en we hebben eens een kampeerbusje gehuurd.
Een Volkswagen California Beach kampeerbusje.
Om eens te kijken of dat iets voor ons zou kunnen zijn.
Het is iets dat we hebben bijgeleerd sinds de kindjes.
Dat je beter eerst eens uitprobeert om te kijken of het echt iets voor jou is.
We wilden dezelfde fout geen tweede keer maken.
We gingen dat kampeerbusje kunnen huren in de krokusvakantie.
Is dat nu door het woord krokus,
maar ik had me daar een enorme voorstelling van gemaakt.
Ik dacht: er gaan al bloemen bloeien.
We gaan kunnen buiten zitten tot tien uur 's avonds.
Met een pastis in onze hand kijken naar de zonsondergang.
De kindjes gaan door de wei huppelen
terwijl ze Broeder Jacob spelen op zelf gesneden wilgenfluitjes.
Marjan gaat op het ingebouwde kookvuur verse groentjes klaarmaken,
vers geplukt van het bioveld naast ons.
Met spaghetti bij, vers gekraakt van het pastaveld aan de andere kant.
Ik ga een appel in partjes snijden, schillen
en een stukje appel op haar lippen leggen.
Mijn andere hand ga ik op haar achterwerk leggen.
Niet seksueel, maar teder.
Omdat dat is hoe seksueel bij haar wakker wordt.
Het werkt, ze wrijft zich helemaal in met appel en zegt:
Lust jij graag appel? En ik zeg: Ja.
En binnen de kortste keren liggen we te appelflappen in dat busje.
En ondanks de geilheid merken we toch nog op
hoeveel ruimte, uimte, uimte, uimte
er is in zo'n busje, usje, usje, usje.
Dat is hoe ik me dat had voorgesteld.
Er was al iets minder ruimte in dat busje dan we hadden gedacht.
Marjan had enorm moeten selecteren wat er in de valiezen kon.
Bij ons thuis is het Marjan die de valiezen maakt.
Ik doe dat niet graag. Dat is kleren opsluiten in een te kleine ruimte.
Marjan doet dat graag, kan dat goed, geniet van dat selecteren.
Gaat er soms zelf een beetje te ver in.
Vier jaar geleden was het de vakantie waar ze voor mij één slip meehad,
want we gingen wel kunnen wassen op de camping.
Dan voel je je raar als je de tweede dag
al drie uur lang met een keukenhanddoek rond je gat rondloopt,
te kijken naar je slip die hangt te druppen aan de draad.
Zeven jaar geleden was het de vakantie zonder haar lenzen en zonder haar bril.
Maar dan kun je tijdens het inpakken toch ook niks zien?
Ze was in een valiestrance geraakt, zei ze, waarin ze alles scherp zag.
Ter hoogte van Metz ging die trance over en was ze weer bijziend min acht.
Vanaf daar heb ik gereden.
Het was ook ijskoud, het regende oude wijven.
Daardoor speelden de kindjes niet buiten Broeder Jacob
op een zelf gesneden wilgenfluitje, maar binnen.
Nog tamelijk luid, zo'n zelf gesneden wilgenfluitje.
Het waren fluitjes van een luide wilg.
Ze hadden de gaatjes ook wat anders gesneden,
waardoor de Broeder Jacob van het ene fluitje een half toontje hoger was
dan de Broeder Jacob van het andere fluitje.
Luid en vals. Moesten zij in het orkest van de Titanic gezeten hebben,
hadden de hulpverleners dat zinkende schip op tijd gevonden
en zouden we niet elk jaar vier keer naar die vorte film moeten kijken.
Ik roep: Stilte, stilte.
Mijn kleinste zegt: Wat een raar woord om zo luid te roepen.
Ik moest een wandelingetje doen om te kalmeren.
De deur van het busje ging open,
Marjan wierp een duikbril met snorkel naar buiten.
Dat had ze dan wel mee. Ik heb hem toch aangedaan.
Binnen de kortste keren zat die pijp vol regenwater.
Ik had niet door wat er gebeurde. Ik dacht dat ik werd gewaterboard.
Ik begon van alles te bekennen dat ik niet eens had misdaan.
Ik in paniek terug naar dat busje.
Ik klop op het venster. Ik mocht niet binnen.
Ik was te nat en te vuil.
En dat busje was gehuurd.
Marjan wierp een washandje naar buiten, ik moest me eerst proper maken.
Stel je dat voor. Je bent aan het verzuipen in de Noordzee.
Je hebt in gedachten al afscheid genomen van vrienden en familie.
Plots dan toch nog de Sea King. Yes, ik ben gered.
Dat luik gaat open, die redder kijkt naar beneden.
Oei, maar jij bent nat en vuil.
Hier, een washandje. Maak je eerst maar proper, hoor.
Want ja, mijn Sea King is gehuurd.
Om eens te kijken of het misschien iets voor mij zou kunnen zijn.
Toen ik proper was, mocht ik binnen.
Jongens, dat temperatuurverschil tussen buiten en binnen.
Mijn lijf wist niet wat het eerst moest doen: niezen of dampen.
Ik zag niks meer.
Dat is nu de eerste keer in mijn leven dat mijn ogen bedampen.
En toen snapte ik dat ik natuurlijk die duikbril nog aanhad.
Er kwam stoom uit mijn snorkel.
Ik heb niet kunnen eten. Ik kan niet eten als ik kwaad ben.
Ik bijt voortdurend op mijn tong. Het was een vegetarisch gerecht,
ik wilde het niet verkloten met tonggehakt.
Dus begon ik te drinken, want zuipen kan ik wel goed als ik kwaad ben.
Op wilskracht, want er zit een alcoholslot op zo'n vaatje wijn.
Je moet in staat zijn om die twee tsjoepkes
aan de zijkant van dat kraantje tegelijk omhoog te trekken.
En hoe zatter je bent, hoe moeilijker dat is.
Op den duur heb ik met een keukenmes dat vaatje lek geprikt
en die witte wijn uit dat wakke karton gezogen.
Ik had geluk: het was karton van een goed jaar.
Na het eten moest dan nog even dat dak omhoog.
Niet moeilijk als je weet hoe dat moet.
Toch een halfuurtje mee bezig geweest. Tot de kleinste in het boekje keek
en zei dat het dak maar aan één kant omhoog kon.
Dus dat ik mocht stoppen met duwen aan de andere kant.
Onder dat dak zit er dan een Lattoflex van een 1m40 breed.
Goed in het begin dat je getrouwd bent.
Wij doen er elk jaar tien centimeter bij.
We zitten nu aan 3m80 en ik vind het nog altijd krap.
Heel de nacht wakker gelegen onder dat scheve dak,
bang dat die staalplaat op mijn muil ging kletsen.
Dat ik voor de rest van mijn leven een pannenkoekenkop heb
en iedere keer als ik aan iets wil ruiken mijn neusgaten eruit moet trekken
om ze weer driedimensionaal te maken.
En dan hadden wij nog geluk. Voor de kindjes was het maar 1m20.
We hadden ze kop-voet gelegd voor de veiligheid.
Tegen 's ochtends hadden ze vier keer op elkaars muil geschopt.
Bij de kleinste waren al zijn melktanden er in één keer uit.
En bij de oudste gaan we een prothese moeten laten steken.
Het regende niet alleen keihard, het was ook koud.
Zo'n busje is gelukkig goed geïsoleerd.
Dat stuk boven op het busje, waar wij sliepen,
is helaas niet goed geïsoleerd. Er zit chauffage in zo'n busje, hè.
Ja, je kunt dat programmeren.
Enfin, mensen die kunnen programmeren kunnen dat programmeren.
Dat is het drama van domme mensen: dat ze meestal trouwen met elkaar.
En samen nog dommere kinderen krijgen.
Ik zie nu een paar mensen dit doen bij elkaar.
Als je het nog weet van jezelf, ça va nog wel.
Het is weer de kleinste die vond hoe je de chauffage kon programmeren,
waarna ik Marjan twee uur heb verdacht van overspel met een chauffagist.
Het was dan beneden veel te warm en boven veel te koud.
Dat is raar, hoor. Dat je zelf in Antarctica ligt
en dat je van beneden hoort roepen: Mag de chauffage af?
Marjan en ik zijn elk zes keer naar beneden geweest.
Ik zeg nu 'naar beneden geweest'.
Alsof we konden afdalen langs een brede trap met een rode loper.
Maar eigenlijk probeer je jezelf uit die mummieslaapzak te krijgen.
Je snapt ook waarom dat mummieslaapzak heet,
omdat er een grote kans is dat je dood bent tegen dat je eruit bent.
Je krijgt dat ding met je vingers niet naar beneden,
dus je moet dat met je tenen doen.
Je voelt je een banaan die zichzelf aan het pellen is.
Iedere millimeter die vrijkomt, verandert direct in de roze calippo.
Er is een nauw gat tussen boven en beneden waar je door moet.
Het moment dat ik me daar door aan het wurmen was,
was het moment dat ik dacht: hoe praktisch zou het niet zijn
moest elk lichaamsdeel bestaan uit zwellichaampjes?
Dat leg ik straks uit.
Als je daardoor floept, had ik het gevoel dat ik opnieuw geboren was.
Ik was verwonderd dat er geen gynaecoloog stond
om op mijn poepje te slaan.
Weet je wat het verschil is met een geboorte?
Voor zo'n baby is eruit eruit.
Ik wist dat ik over een halve minuut terug naar boven moest.
Stel je dat voor. Zo'n baby die eruit floept,
de chauffage dichtdoet en hup, die foef weer in.
Moet je dan een geboortekaartje sturen? Ik weet het ook niet.
Het heeft de hele nacht geregend.
Tegen 's ochtends stond dat busje tot tegen de vloerplaat in de wei gezakt.
Ik heb de wielen vrijgemaakt met die spade,
waarvan ik nu ook snapte waarom ze in de koffer zat.
Dan even besproken met Marjan wie er zou duwen
en wie met het busje zou rijden. Marjan weegt maar 60 kilo.
Daar duw je geen busje van 2.500 kilo mee uit een moeras.
Dat snap ik ook. Terwijl met 72 kilo: geen enkel probleem.
Dat zijn twaalf enorm sterke kilo's.
Ik sta met mijn handen tegen de achterkant van dat busje.
Het was nog altijd aan het regenen, dus ik had mijn duikbril opnieuw aangedaan.
Ik had de snorkel naar beneden gedraaid. Er was een leercurve.
Ze start het busje. Ik denk:
Fuck, ik heb niet gezegd dat ze hem in vooruit moet zetten.
Ik zag het al voor me, dat ze me over 2.000 jaar zouden opgraven.
Een gemummificeerde veenman,
met het profiel van een Volkswagen California Beach-band
over heel de lengte van zijn lijf. Met hier een plastic massa,
waar ze nooit van zouden weten wat dat was.
Een duikbril kon het niet zijn, want die pijp stond naar beneden gedraaid.
Eén iemand zou doctoreren op de hypothese
dat het een navelpluiszuiger was.
De mensen die dat grappig vinden, zijn mijn favoriete toeschouwers.
Ze zat in vooruit.
Ze ging nog niet vooruit, maar ze zat er wel in.
Ik zag het aan de richting waarin de banden
zich opnieuw aan het vastdraaien waren in de modder.
Van onder die twee achterbanden
spoten er twee stralen slappe modder naar boven,
recht mijn snorkel binnen.
Dat vulde mijn duikbril.
Binnen de kortste keren zag ik niks meer.
Ik dacht dat ik blind geworden was. Ik had het al aanvaard.
Ik had al een naam voor mijn blindengeleidehond.
Ja, Xinie.
Daarmee roep je je hond en je laat aan de mensen rond je weten
wat er met je scheelt.
Die modder loopt er weer uit via die pijp.
Het peil zakt. Ik zie Marjan door de wei glijden met dat busje.
Ze deed dat ik-weet-niet-hoe-goed.
Natuurlijk snapte ik dat ze niet stopte zolang ze in de wei zat.
Ze zou opnieuw vastgeraakt zijn.
Maar ik had nu toch gedacht van zodra ze op de weg kwam...
Dat is waarom je zo'n busje eerst eens uitprobeert, voilà.
Dus ja. We hebben dat busje gekocht.
Zodra we het hadden, stond dat voor mij symbool voor onze relatie.
Marjan die dat busje heel graag wil, ik die dat busje absoluut niet wil.
En dus kopen we dat busje.
En ik snap het ook wel. De eerste keer dat ik iets doe, ben ik altijd schijtebang.
Marjan weet dat ze me even over die drempel moet helpen
en dat ik het de tweede keer wel tof zal vinden.
Of de vijfde keer. Of de tiende keer.
De honderdste keer.
Er zijn dingen waarvan we nog altijd wachten
tot ik ze misschien tof ga vinden.
Ze zegt dat ik dan ook altijd heel kinderachtig ben.
Ik doe er dan ook alles aan om die aankoop tegen te houden.
Naar mijn ma gebeld.
Het waren haar laatste maanden en dan ambeteer ik haar voor zoiets.
Ma, een ik-weet-niet-hoe-duur busje waarin je bijna geen plaats hebt.
Moeten we dat kopen?
En mijn ma zegt: Tuurlijk, je leeft maar één keer. Godverdomme.
Dat was haar antwoord op alles in die laatste maanden.
Tuurlijk, je leeft maar één keer.
Alsof wij bij ons thuis ooit een nieuwe auto gekocht hebben.
Dat ging niet. Twee arbeidersloontjes.
Anderhalf, ma werkte maar deeltijds. Daar koop je geen nieuwe auto mee.
Mijn pa vond dat heel spijtig. Die wou supergraag een nieuwe auto.
Mijn ma wist dat. Zij belde dan naar de garagist om te zeggen:
Doe alsof het een nieuwe is.
En hij draaide dan de kilometriek terug. Soms te ver: tot -2.000 km.
Hij zei dan aan mijn pa dat die auto van aan de fabriek
waarschijnlijk achterwaarts naar de garage gereden was.
Maar na een paar honderd kilometer vielen de geroeste brokken eraf
en dan kon mijn oudste broer, die dwarsfluit speelde,
tijdens het rijden zijn vingers door de vloerplaat
op de gaten in de uitlaat zetten en Altijd is Kortjakje ziek spelen.
Ook voor het eerst in mijn leven een naft besteld.
Het was het moment dat de diesel nog wat goedkoper stond
en ja, altijd diesels gekocht.
Uit zuinigheid, zoals mijn ouders altijd deden.
Ik wist wel dat dat iets slechter is voor het milieu,
maar toch uit zuinigheid altijd diesels.
Marjan heeft mij dan uitgelegd dat dat bij mijn ouders echt zuinigheid was,
dat ze niet veel hadden. Maar dat wij het geluk hebben
om meer te hebben en dat bij ons dan geen zuinigheid, maar gierigheid is.
Ze heeft dat uitgelegd in de garage met de garagist erbij.
Dus ja, een naft besteld.
Zodra we thuiskwamen en zij even weg was, direct naar de garage gebeld:
Doe toch maar een diesel. Uit reflex, ik weet het niet.
En uit zuinigheid, ja.
Ik dacht: ik ben toch degene die altijd tankt.
Je hebt dan toch het gevoel dat je een naft hebt.
Je hebt de morele superioriteit van een naft in plaats van een diesel.
Je hebt het beste van de twee, snap je?
En toen ik dat busje zag staan op de oprit,
was ik ineens trots. Ik dacht: zie je wel dat het mogelijk is
om goed je boterham te verdienen als je je hart volgt
met een artistieke carrière. En ondanks het veel te competitieve onderwijs
dat ik heb gekregen bij meester Bilke in het tweede studiejaar.
Grijze stofjas, twee bordenwissers hier. Als je nog maar dacht aan afkijken,
gooide hij die bordenwissers als twee ninjasterren naar je hoofd.
Dat boorde zich in je oogkassen. Je moest ze er zelf weer uittrekken.
Er kringelde waarschijnlijk krijt op, je kon even niks meer zien.
Dan moest je die bordenwissers zelf terugbrengen,
struikelend over de boekentassen en aan meester Bilke geven
en hem bedanken omdat het voor de komende weken
onmogelijk was om nog af te kijken.
Dat was meester Bilke. Sadisme.
Extreme competitie ook. Alles met de chronometer.
Tafels met de chronometer. Teksten zo snel mogelijk lezen met de chronometer.
Ik deed dat allemaal ik-weet-niet-hoe-graag.
Ik collaboreerde toen nog.
Op een keer laat hij mij een tekst voorwaarts lezen.
Hij chronometreert dat en zegt: Deprez, dezelfde tekst achterwaarts.
Ik glij door die tekst als een achterwaarts mes door de boter.
38 seconden.
Daarna zegt hij: Dimitri, lees diezelfde tekst voorwaarts.
Dimitri was een van de drie Dimitri's. Samen waren zij het krapuul van de klas.
Als er iets fout liep, moest meester Bilke gewoon Dimitri roepen
en hij had de drie daders in één keer vast.
Die Dimitri las niet zo heel vlot. Hij had ook de neiging om wat te stotteren
en dat verbeterde niet als je er met een chronometer naast stond.
Hij leest diezelfde tekst voorwaarts. 39 seconden.
Meester Bilke vatte samen wat we met de hele klas wel al doorhadden.
Kijk, klas. Wouter kan deze tekst rapper achterwaarts lezen
dan dat Dimitri hem voorwaarts kan lezen.
Maar op de speelplaats kon Dimitri mij rapper achterwaarts in elkaar slaan
dan dat ik voorwaarts weg kon lopen.
Tweedracht zaaien, dat was meester Bilke.
En onbegrijpelijke taal. Dikwijls religieus nog, hè.
Bidden. Hij legde uit hoe je dat technisch moest doen.
Dan wist je: we gaan dat hier meekrijgen als huiswerk waarschijnlijk.
Je moest op je knieën zitten, je handen vouwen. Dat was de zendmast
waarlangs je je probleem kon doorstralen tot bij Jezus.
Die zou dan een oplossing terugstralen van op het kruis.
Ik zat 's avonds voor dat kruisbeeld door te stralen
dat het geen goal was geweest van Wouter Kesteloo tijdens de speeltijd
want dat het hands was geweest in het strafschopgebied.
En of Jezus de stand op het scorebord nog kon aanpassen, alstublieft.
Dat kwam precies niet tot bij hem. Hij stuurde in elk geval niks terug.
Ik bekeek hem eens goed en dacht: hij kan ook niet.
Zijn handen hangen te ver uit elkaar. Hij heeft geen bereik.
Dus ik in het werkkot van mijn pa het ijzerzaagje gaan halen en de Pattex
en Jezus gerepareerd.
Nog altijd niks, maar meter zei wel dat het een mirakel was.
Dat Jezus van zijn kruis was proberen duiken.
En pa zei: Hij heeft veel geluk dat het niet gelukt is.
Er zat nog een spijker in zijn voeten. Dan hing hij heel de dag horizontaal.
De volgende dag vroeg meester Bilke
waarover we hadden gepraat met Jezus tijdens het bidden.
Ik was de braafste en de slimste, dus ik moest eerst antwoorden.
Geen tijd gehad om iets voor te bereiden.
Ik heb met Jezus gebabbeld over het weer.
Hoezo, zegt hij? Ja, hij hangt altijd binnen, hè.
De tweede slimste had met Jezus gebabbeld over zijn haar.
Had hij altijd al lang haar of was hij gekruisigd met een broske?
Dat zijn haar dan zo lang was gegroeid door daar bijna 2.000 jaar op te hangen.
Zodanig lang dat er zelfs een vogel zijn nest had gemaakt op zijn hoofd.
De derde slimste had gebabbeld over de technische kanten van verrijzen.
Of dat ook met gist was, zoals bij brood?
Dat was een bakkerszoon.
Het is maar als we aan de Dimitri's kwamen
dat de eerste Dimitri zei: Bij mij is dat niet gelukt, dat bidden.
Meester Bilke, ik denk niet dat dat bestaat.
Daar moest je stalen kloten voor hebben om dat tegen Bilke te durven zeggen.
Op dat moment werd die Dimitri mijn idool.
De waarheid zeggen tegen een autoriteit.
Biechten net hetzelfde. Snapte ik ook niks van.
Je mocht van de godsdienst niks fout doen.
Ik was een beetje letterlijk, dus ik deed niks fout.
Kom je in dat biechtkotje, die gaatjes gaan open,
die pastoor vraagt: Wat heb je fout gedaan?
Ik zo trots als iets: Niks.
Ik dacht: nu krijg ik mijn beloning waarschijnlijk.
Wat zou het zijn? Spaghetti, waarschijnlijk. Door die gaatjes.
Ik was al benieuwd van waar de saus zou komen.
Dat ik arrogant was, zei hij. Vijftig Weesgegroeten.
Ik dacht: zo kun je niet goeddoen.
Voor de Dimitri's was het simpel.
Ze hadden maar te kiezen: gevochten, gestolen, gelogen.
Ze hadden het allemaal gedaan. Soms deden ze live misdaden.
Ik ben nu scheten aan het laten in uw kot.
Dan hoorde je die gaatjes dichtslaan en je zag de gordijn flapperen.
Op den duur verzin je dingen.
Wat heb je fout gedaan? Ik heb mijn moeder uitgescholden.
Wat heb je tegen haar gezegd, misschien?
Ik had niet gedacht dat het zo gedetailleerd ging zijn.
Euh, hoer.
En is dat het beroep van je mama?
Nee, ze is bejaardenhelpster.
Vijftig Weesgegroeten.
Sorry, maar dan roep je al eens hoer tegen je moeder.
Ja, je hebt er toch al voor geboet.
Zo'n biechtkotje is zoals de gevangenis: je komt er crimineler uit.
Nee, fantastisch busje.
Ik dacht: weet je wat? Ik ga het laten personaliseren ook,
met hetgeen ik de afgelopen jaren misschien wel het meest van al
geëngageerd in ben geweest.
Ik heb dat busje laten spuiten in bruine streep, gele streep,
bruine streep, gele streep, bruine streep, gele streep.
Zoals de...
Bijen. De honingbij. De Apis mellifera.
Bij mij is dat begonnen met een artikel in het Nieuwsblad.
Over de bestuiverscrisis, dat de bijtjes het moeilijk hadden.
Te weinig leefgebied, te weinig stuifmeel, te weinig nectar.
Te weinig biodiversiteit. Parasietjes: de Aziatische varroamijt.
Dat zit in hun nek en zuigt de lymfe eruit.
Ook niet bevorderlijk voor de gezondheid.
Mijn hart brak. Ik dacht: ik moet iets doen.
Berichtje gezet op Facebook:
Weet iemand hoe ik zou kunnen helpen bij de bestuiverscrisis?
Een toeschouwster uit de Kempen
heeft voorgesteld om een bijenkastje in onze tuin te komen zetten.
Zodra dat er stond, was ik verliefd op dat bijenvolkje.
Je kon binnenkijken. Ik vond dat een moreel voorbeeld voor de mens.
Want als je dat deksel eraf haalt en binnenkijkt door dat glaasje,
zag je dat die bijtjes altijd bezig zijn. Allemaal.
Misschien is dat omdat je binnenkijkt, dat zou kunnen.
Dat ze zien: hij kijkt. Neem iets in je pootjes, kom.
Maar ik denk dat het echt is dat ze zich als individu
opofferen voor de gemeenschap.
Hoe ze uitvliegen om stuifmeel te verzamelen.
Ze komen bij een bloem,
ze nemen dat stuifmeel en duwen dat in korfjes hier aan de poten,
tot dat helemaal vol zit. Dat kan tot 70 percent van hun lichaamsgewicht zijn.
En dan is het nog niet genoeg.
Ze nemen nog extra stuifmeel mee en ze wrijven dat in hun haarkleed
en dan komen ze volgeladen als een bestoven C-130 bij de kast aan.
Capitole, ik had gedacht dat dat meer indruk zou maken.
Nectar dan? Dat zuigen ze op in de honingmaag.
Ze vliegen terug naar de kast, daar geven ze dat zachtjes terug over.
Ze duwen dat in celletjes en dan kan er daar een larfje in geboren worden.
Dat kan daarop drijven en daar dan tegelijkertijd van eten.
Wij zeggen soms: eten sparen uit je eigen mond.
Bij hen is dat eten sparen uit hun eigen maag.
Nog altijd niks?
Hard stadje hier.
De wintertros dan?
In de zomer zijn ze met 50.000 en in de winter maar met 10.000.
De zwakste bijtjes zitten te rillen in die koude kast.
De sterkste bijtjes vormen daar een pel rond
en die trillen met hun borstspieren. Op die manier wekken ze warmte op
en die warmte stralen ze door naar die bijtjes binnenin.
Ah, jullie hebben toch een hart.
Dat vind ik zo mooi, en niet alleen die fysieke warmte.
Ook dat je weet dat iemand dat voor jou wil doen op een moeilijk moment.
Ik heb al zo vaak gehad dat het mij mentaal wat minder gaat en dat ik denk:
ik zou er zo'n deugd van hebben moesten er nu vijf, zes vrouwen rond mij komen staan
en zo eens even trillen met de borstspieren.
Gisteren sprongen er toen vrijwilligsters het podium op.
Poperinge? Nee, het gebeurt niet precies.
Ja... Nee, jong. Maar ik dacht: één bijenkast, gemiddeld 30.000 bijtjes.
Het is prachtig, maar ook maar een druppel op een hete plaat.
Ik moet toch meer kunnen doen. Wel, als je zo'n volkje laat doen,
dan zwermt dat. In mei en juni gaat de oude koningin
met de helft van het volk in een boom gaan hangen.
Als je ze dan kunt pakken, heb je een tweede bijenkastje.
En op die manier kan het snel gaan. Op een paar jaar tijd
hebben wij dertig vrijwilligers verzameld over heel Vlaanderen.
Dertig bijenkasten over heel Vlaanderen. Dertig maal 30.000 bijen.
900.000 bijen.
Nee, nee, nee. Ik doe dat niet voor applaus.
Weet je wat voor mij het allerbelangrijkste is?
Dat gewoon iedereen zijn steentje bijdraagt.
Want dan kunnen we misschien wel met allemaal samen
een volledig nieuwe maatschappij metselen.
Als je één ding onthoudt van vanavond, dan hoop ik dat het dat is.
900.000 bijen.
Voor mijn kinderen hebben we heel ander onderwijs gekozen.
Creativiteit stimulerend. Geen onbegrijpelijke taal.
Geen extreme competitie.
Onze kinderen zitten in het zelfontdekkende methodeonderwijs.
Ken je dat hier in Gent? Zelfontdekkend methodeonderwijs?
Zijn er mensen van wie de kinderen daar zitten? Steek even je hand omhoog.
Je hoeft je niet te schamen. Je mag er trots op zijn.
Zijn er mensen die in Freinetonderwijs of Steiner... Steek even je hand omhoog.
Je mag de naam van de school roepen als je wilt.
De Vlieger. Maar dat vind ik mooi. Dat is echt typisch.
Dat het kind eigenlijk van de grond omhoog wordt getrokken
in de thermiek van de kennis. Daar komt het op neer, hè.
Is dat Freinet, de Vlieger? Ja, oké. Dat vind ik zo mooi.
Zitten ze in leefgroepen, met de verschillende leeftijden samen?
Ja, dat vind ik ook zo mooi.
Dat gaat ervan uit dat de verschillende leeftijden veel kunnen leren van elkaar.
Bij ons zit het 1ste, 2de en 3de samen,
want het eerste kan heel veel leren van het derde.
Het derde kan heel veel leren van het eerste leerjaar.
En het tweede leerjaar...
Dat trekt op dat moment even zijn plan.
En de gedachte is ook dat een kind zelf zo nieuwsgierig is
dat het kennis wil verwerven. Op zichzelf of in groep.
Soms wordt er gezegd van dat soort scholen
dat dat cognitief minder sterk zou zijn. Maar dat klopt niet.
Het is gewoon dat die kinderen die kennis zelf ontdekken.
Bijvoorbeeld voor driehoeksmeetkunde gaat dat als volgt:
ze zitten met een leefgroep binnen, de leraar doet de deur open,
gooit een rechthoekige driehoek naar binnen en doet de deur weer dicht.
De hele leefgroep kijkt nieuwsgierig naar die driehoek.
De slimste ontdekt spontaan de stelling van Pythagoras.
Hij legt die uit aan de andere kinderen in de klas.
Voor de kinderen die geen Nederlands hebben als thuistaal
straalt hij dat in Esperanto door en via osmose komt dat die hoofdjes binnen.
En zo is op vijf minuten tijd de hele klas even slim als de slimste van de klas.
Herken je dat van op de Vlieger wat ik hier nu beschrijf?
Je ziet van hier hoeveel tijd je wint,
omdat die leraar daar niet voortdurend met zijn kwek tussen zit.
En al die tijd die vrijkomt, kan besteed worden
aan maandenlange creatieve projecten rond zelfgekozen onderwerpen
die democratisch beslist zijn
en waarin er een kruisbestuiving van allerhande leerprocessen plaatsvindt.
Ik heb de mooiste herinneringen aan het project
rond de Olympische Spelen in het Oude Griekenland.
Zodra dat dat beslist was, al die kinderen naar de computers
om op te zoeken welke documentaires die Oude Grieken
over hun Olympische Spelen hadden gemaakt.
Drie kinderen die uit een oude borduur met een slijpschijf
een discus begonnen te slijpen. Twee anderen die op YouTube zochten
hoe je die vingertjes er weer aan zou kunnen zetten.
Twee anderen die zich afvragen of dat wel klopt,
een kind met drie duimen naast elkaar.
Ze hebben dat zo gelaten, want zo leren ze fouten maken.
En dat kind heeft dan voor de schooluitstap mogen liften
en er stopten altijd drie auto's tegelijk.
Ook van zodra ze wisten dat die Olympische Spelen
naakt doorgingen, allemaal kleren uit.
De jongens, de meisjes, de juffen, de meesters.
Op die manier leren ze spelenderwijs
het verschil tussen het mannelijke en het vrouwelijke lichaam.
Zagen ze ook de gevolgen van een gebrek aan lichaamshygiëne,
zoals bij meester Jos.
En dat mondde spontaan uit in het volgende project rond champignons.
Buurtparticipatie ook.
Op het marktplein in Wondelgem in het Griekse restaurant gaan vragen
met welke olie dat was waarmee de Griekse atleten zich insmeerden.
Balsamicoazijn.
Vijftien euro per liter. Hij kon dat leveren, zei hij,
maar er zou wel 400 liter nodig zijn,
want volgens hem waren de toeschouwers ook ingesmeerd.
Wel straf dat die dat allemaal wist, want dat was een Pool.
En dan na een paar maanden heb je dan de apotheose, het toonmoment.
Dan mag je met de ouders gaan kijken, met vrienden.
De grootouders mogen komen kijken. Ik strontnerveus.
Ik vroeg me af: wat gaan mijn ouders hiervan vinden?
Dit is toch een heel ander onderwijs dan wat zij voor ons een goed idee vonden.
Maar ik moet zeggen: op het moment dat ik zag
dat mijn vader de spiernaakte mama van Leonardo
een halfuur lang van kop tot teen zat in te smeren met balsamicoazijn
zag ik wel dat hij helemaal mee was met het pedagogisch project van de school.
Nog nooit huiswerk bekeken. Nog nooit een rapport bekeken.
Ik was daar volledig gerust in, voilà. Nu was het wel met corona...
Dan was het wel af en toe eens Zoom-onderwijs
als er te veel kinderen ziek waren. Mijn kleinste zou een taallesje krijgen.
En daar was ik nu wel benieuwd naar om te zien
hoeveel geestiger zij dat aangereikt krijgen
dan al die grammatica die ze bij ons met geweld naar binnen hebben gestampt.
Ik dacht: het zou nu toch wel tof zijn om dat lesje eens bij te wonen.
Laat ons dat doen op een aangename locatie. Bij ons bos.
Ja, wij hebben een aantal jaren geleden een bos aangeplant.
Misschien herinner je je dat niet meer,
maar een aantal jaren geleden was ik nogal heftig bezig met bosbeleid.
En er was toen een bos in Limburg dat gekapt zou worden
en ik vond dat een slecht idee.
De minister van Milieu op dat moment die vond dat geen slecht idee.
En toen hebben we daar even openbaar over gediscussieerd.
En dat bos staat er nog nu.
En de minister niet meer, ja.
Ja. Nee, nee. Ik doe dat niet voor het applaus.
Voor mij is het allerbelangrijkste dat ieder zijn steentje bijdraagt,
zodat we samen een volledig nieuwe maatschappij kunnen metselen.
En ik dacht toen ook: je moet er niet alleen theoretisch mee bezig zijn.
Als je vindt dat er te weinig bos is, doe er dan ook iets aan.
En toen hebben we met een paar vrienden
een weitje gekocht van 1 hectare en wij hebben dat weitje bebost.
Tienduizend boompjes op gezet. En toen is er eigenlijk een mirakel gebeurd.
Wij hadden dat weitje gekocht voor 45.000 euro
en nadat dat bebost was, was dat maar 15.000 euro waard.
Terwijl we wel 10.000 boompjes hebben toegevoegd.
Mocht je zeggen: ik zoek een opportuniteit
om veel geld op korte tijd te verliezen. Wel...
Maar wel een magnifieke plek. Heel geestig om naartoe te gaan.
Ik dacht: we doen dat taallesje daar.
Als we klaar zijn, doen we een wandeling rond ons bos.
Of door ons bos, want we hebben er een paadje in gemaakt.
Of over ons bos. Dat groeit eigenlijk echt niet rap, zo'n bos.
We zijn onderweg met ons busje naar ons bosje.
Kinderen direct op de telefoons. Marjan en ik beginnen te babbelen met elkaar.
We kunnen heel goed met elkaar praten in de auto.
Ik denk dat dat is omdat je dan allebei naar voren kijkt.
Dat je toekomstgericht bent, snap je.
Het gaat sowieso tussen ons enorm goed de afgelopen jaren.
En dat zorgt ervoor dat er heel veel tijd is vrijgekomen.
Die we anders aan conflict besteedden, waarschijnlijk.
En wij gebruiken die vrijgekomen tijd om bevriende koppels te bespreken.
Om te kijken welke fouten zij wel nog maken
en hoe we hen eventueel terug op het juiste spoor zouden kunnen krijgen.
We doen dat wel in een geheimtaal,
zodanig dat de jongens niet het gevoel hebben
dat wij aan het roddelen zijn, snap je.
De geheimtaal staat in dat boekje, moest het je interesseren.
Ik voel me er ook niet schuldig over dat we die taal gebruiken.
Onze jongens hebben ook een geheimtaal eigenlijk.
De jongerentaal is dat bij hen.
En zij denken dat wij daar niks van verstaan.
Mattie is een vriendje, fittie is een ruzie,
fisa is een feestje, doggo is een hond.
Ik begrijp het allemaal.
Het is gewoon kwestie als zij tegen elkaar bezig zijn
dat je wegkijkt en op niks reageert
en ondertussen krijg je al die geheime kennis gratis binnen.
Heerlijk, vind ik dat. Zeker omdat zij niks verstaan van onze taal.
We waren Bart en Annelies aan het bespreken op dat moment.
Ik heb Bart leren kennen op de universiteit.
We zijn samen begonnen in 1ste kan.
Hij in de geneeskunde en ik in pol&soc.
Ja, voor jonge mensen: 1ste kan, dat is 1ste bachelor.
Voor mij was dat wel goed dat dat 1ste kan heette.
Daardoor had ik wel het gevoel dat ik het kon.
Had ik in 1ste bachelor gezeten,
had ik gedacht dat ik zo snel mogelijk een lief moest vinden.
Waar ik dan in juni mijn eerste zit op zou mogen doen.
En in september mijn tweede zit.
En die dan na twee jaar master tegen mij zou moeten zeggen.
Oké, de situatie van Bart en Annelies.
Anders leg ik dat dadelijk even uit in geheimtaal. Is dat een goed idee?
Dan kun je kijken of dat iets is voor jullie. Goed?
Dan haal ik er even een pedagogisch hulpmiddeltje bij.
Ken je hem nog?
Je mag de lichten uitdoen. Hierzie, de ventilator die zich op gang trekt.
Als je geluk had, lag er een vlieg op de lamp en had je de geur van barbecue.
Ik heb hem gekocht op de opendeurdag van de jongensschool.
Openbare verkoop. Dat is het begin van mijn carrière geweest.
Ook bij Bilke, dat moet ik ook zeggen.
De vrijdagnamiddag gingen wij zwemmen met de hele klas.
In het zwembad in Wervik,
waar Geluwe verplicht mee was moeten fusioneren.
Wij hielden niet van hen, zij hielden niet van ons.
Als ze ons zagen naderen, kapten ze extra veel chloor in het zwembad.
Wij kwamen half vergiftigd terug in de klas.
Bilke wist dat er geen harde kennis meer bij kon.
Hij stak de overhead aan en legde hier een titel op.
Raar maar waar, bijvoorbeeld. En dan mocht je een opstel maken.
Een vrije tekst. Als het maar wat bij die titel paste
en als het goed was, mocht je maandagochtend je opstel voorlezen
voor heel de klas. Daar is het voor mij allemaal begonnen.
Daar moet ik voor zeggen: Dank u wel, meester Bilke.
Ik moet onthouden dat ik morgen niet meer in de lamp mag kijken.
Kan er iemand Xinie uit de coulissen halen, alstublieft?
Dus ja, Bart en Annelies. Bart zit volgens mij in een micri.
Een midlifecrisis, ja.
Ik denk dat omdat hij al een maand of zes een naastneuk heeft.
Een minnares, ja.
Waarschijnlijk veroorzaakt door het feit dat Annelies al twee jaar uitgebrand is.
In een burn-out zit.
Het is een ramp, want Bart en Annelies hebben samen drie puppy's.
Twee pietjes en een streepke.
Er is werk aan alle drie die puppy's.
De twee pietjes hebben allebei warhoofdisme.
Ze moeten daar pilletjes voor nemen: calmitine.
Maar dat werkt maar tot vier uur. En dat streepje heeft dansletters.
Dat is dyslexie.
Ze moet twee keer per week naar de lezoloog.
Van zodra dat Annelies het wist van die naastneuk van Bart
was ze woest en ze wou direct een ringvingerstriptease.
Bart zag dat niet zitten, want hij heeft een hoger loon
en hij was bang dat hij een hele hoge naastneukrente zou moeten betalen.
Alimentatie, ja.
Annelies heeft Bart toen buiten gesjot. Bart heeft toen de fout gemaakt
om te gaan inwonen in het veel te kleine appartement van zijn naastneuk.
Zij had ook al twee puppy's, twee streepkes. Ook met werk aan.
Dat ene streepje is overbezenuwd.
Dat is hoogsensitief.
En dat andere streepje heeft hogerlager. Een borderlinemeisje.
Dus ja, je kunt het al denken.
Sommige weekends zaten ze met vijf puppy's op dat te kleine appartement.
Die twee warhoofden kletsten de muur op,
die overbezenuwde werd zot en hing overal briefjes met: stil, stil.
Maar die met dansletters vroeg dan: wat staat er hier?
En dan wilde die naastneuk van Bart nog een eigen puppy ook.
Nog rap rap voor haar hormonocide.
En het zou rap moeten gaan, want ze had al hittegolven.
Bart heeft toen gelogen dat hij al een doodlopende straat had laten steken.
Maar zijn naastneuk zei
dat hij zich terug op de grote baan moest laten aansluiten.
Dus het is geëindigd met hetzelfde probleem
als waar het met Annelies mee begonnen was:
dat ze niet meer wilde vleeskletsen.
Je snapt dat je daar graag discreet over wilt kunnen communiceren.
We komen bij het weitje naast het bosje.
Ik zet het dakje omhoog. Dat gaat wat beter,
ik heb geoefend op de oprit intussen.
Mijn kleinste komt buiten, kijkt naar dat stuk bovenop het dak en zegt:
Papa, dat is een driehoek.
Kijk, dat is zelfontdekkend methodeonderwijs.
Die kunnen veel beter abstracte kennis verbinden met de werkelijkheid.
Hij blijft kijken.
Dat is de drang die hij heeft om diepere kennis te verwerven.
Hij is nu waarschijnlijk aan het denken wat voor type driehoek het is.
Het duurt even. Hij twijfelt zeker of hij gaat zeggen:
onregelmatige driehoek, wat zou kloppen.
Ook een klein beetje containerbegrip.
Waarschijnlijk zal hij zeggen: scherphoekige driehoek,
wat er recht op zou zijn.
Dat mondje gaat open, ik ben al trots op voorhand.
Hij zegt: papa, dat is een evenwijdige driehoek, hè.
De oudste schiet ter hulp. Ook dat is zelfontdekkend methodeonderwijs.
Hij legt uit dat die driehoek niet evenwijdig kan zijn,
omdat de zijden elkaar snijden.
Maar voor mijn jongste gaf dat niet dat die zijden sneden.
Voor hem mochten ze snijden, en dat die driehoek dan toch evenwijdig was,
geen enkel probleem. Ook dat is zelfontdekkend methodeonderwijs.
Ze leren enorm veel tolerantie aan op alle vlakken.
Ik zeg tegen de oudste: zeg jij eens wat voor type driehoek dat is.
Hij zegt: papa, dat is een scherpzinnige driehoek.
Ik begon toch wat ongerust te worden. Ik neem een blaadje papier,
teken er een paar parallellogrammen en trapeziums op
en ik zeg: omcirkel eens alle parallellogrammen.
Dat wilden ze niet doen.
Ze vonden dat stigmatiserend ten opzichte van de trapeziums.
Zij konden er ook niks aan doen dat ze minder evenwijdige zijden hadden.
Maar het is meetkunde. We moeten de dingen toch exact kunnen benoemen.
Dat was voor hen niet het belangrijkste. Wat is dan het belangrijkste?
Dat iedereen zich goed voelt in de groep, zeiden ze.
Wat stel je dan voor? Een fusie.
Parallellezium.
Een vierhoek waar het niet uitmaakt
hoeveel paar evenwijdige zijden je hebt. Je bent welkom in de groep.
Ik dacht: wat kan mij het eigenlijk schelen?
Ik moet wel onthouden als ik nog eens verbouw
dat ik geen architect neem uit het zelfontdekkende methodeonderwijs.
Als hun taal maar goed zit, dat ze later de zaak kunnen overnemen.
Het was een taallesje dat de kleinste zou krijgen.
Over letterlijk en figuurlijk taalgebruik. Superbelangrijk onderwerp, hè.
Dat is een marker voor autisme, hè.
Als je kind figuurlijk taalgebruik niet kan herkennen of toepassen,
mag je zeggen: waarschijnlijk autisme.
En autisme zit bij ons wel een beetje in de familie.
Denk ik.
Doordat het bij ons nog niet werd gediagnosticeerd,
hebben wij het niet kunnen hebben.
Maar soms denk ik wel...
Ik ben vorige week zes uur blijven zitten bij een vriend.
Hij was een uitleg begonnen met het woord enerzijds
en het woord anderzijds viel niet.
Dus ik dacht: ik volg de opdracht toch even mee.
De opdracht was als volgt: er zou op de computer een foto verschijnen.
Je moest goed naar die foto kijken en dan verscheen eronder een zin
en dan moest je zeggen of die zin
ten opzichte van die foto letterlijk gebruikt was of figuurlijk.
Ik zit net buiten beeld. De eerste foto verschijnt.
De foto van een jongen, het gezicht van een jongen.
Hij kijkt goed naar die foto.
Onder die foto verschijnt de zin: deze jongen is goedgemutst.
Hij kijkt naar die foto.
Die jongen is aan het lachen. Ik zeg: het is figuurlijk.
Zeg dat het figuurlijk is. Kom, zeg het, snel. Dan zijn we eerst.
Dat was nog van bij meester Bilke, die competitiviteit.
Mijn jongste zegt: Papa, ik twijfel. Waar twijfel je tussen?
Tussen letterlijk en figuurlijk, tiens.
Hij kijkt nog eens naar die foto om te zien waarom hij twijfelt.
Die jongen is aan het lachen, maar hij heeft ook een muts op.
En dat was een goeie muts en hij had die ook goed op.
Ik zeg: Het is allebei, een strikvraag.
Letterlijk en figuurlijk. Zeg dat het allebei is.
Hij zegt: Papa, ik moet het alleen kunnen.
De juf zegt: Papa, hij moet het inderdaad alleen kunnen.
Hij kijkt nog eens naar die foto.
Op die muts staat een smiley.
De muts zelf was ook nog eens goedgemutst.
Ik was niet autistisch voor die foto, ik ben het geworden door die foto.
Ik duw mijn kleine opzij en ik zeg: Weet je hoe het nog ingewikkelder kan?
Als je die smiley ook nog eens een muts geeft.
Goed idee, zei ze. Voor de les handenarbeid.
Weet je wat ik heb gekregen voor Vaderdag?
Een muts met een smiley met een muts op.
Ik begon een beetje kwaad te worden. Ik loop over mijn bos.
Ik had wat blaadjes meegenomen uit zijn boekentas
om nu toch eens te kijken wat hij eigenlijk allemaal krijgt.
Ik lees dat eerste blad en ik was al beschaamd.
Ik was ontroerd.
Zo'n mooie tekst.
Een volledige A4. Een opstel, een vrije tekst.
Goed geschreven, goede plot. Je wou het einde weten.
Het was in het Engels.
Acht jaar. Hij krijgt nog niet eens Engels.
Wat ik op mijn achtste kon in het Nederlands,
kan hij nu al in het Engels. Dat is Wouter 2.0.
Het is nu niet om te stoefen, maar ik heb die tekst eens overgeschreven.
Je moet nu toch eens meelezen, als je wilt.
Ik ban in hut boss.
Ik sea an block hout.
Ik pack hut block hout may.
Ik track weg uit hut boss. Ik come in the way.
Ik fool eats in main arm. Hut is an take.
Ik hap an take.
Ik pak the take fast and track.
The take komt loss. Ik hap the take.
Ik name hut block hout and ik map op the take.
Ik sea bluetooth.
Acht jaar. Ongelooflijk toch.
Ik ga naar het busje, ik toon hem zijn tekst.
Ik zeg: Kerel, ik moet me verontschuldigen.
Wat een fantastisch opstel heb jij hier geschreven in het Engels.
Hij kijkt naar die tekst en zegt: Papa, dat is mijn dictee voor Nederlands.
Toen heb ik beslist dat ik zijn volgende rapport toch eens goed ging bekijken.
Dat was zijn paasrapport. Weet je wanneer dat toegekomen is?
Twee weken voor de grote vakantie.
Ik leg mijn vinger bij driehoeksmeetkunde,
waar hij zeker geen fluit van kent, met zijn evenwijdige driehoek.
Ik volg het lijntje tot ik punten tegenkom. Ik kom geen punten tegen.
Ik kom een vuurtoren tegen.
Het is niet meer met punten. Het is nu met de lichtjes van de kennis.
Vuurtoren betekende heel veel licht in je brein.
Je kent je leerstof heel goed.
Glimworm betekende heel donker in je kop. Je kent er geen zak van.
Daartussen zit vlammetje, fakkel, kachel.
Ik zeg: Hoe is dat mogelijk dat je juf
vindt dat jij driehoeksmeetkunde vuurtoren kent?
Het was zijn juf niet die dat vond. Hij vond dat zelf.
Zelfevaluatie.
Daarnaast stond er een glimworm, dat moet ik eerlijk zeggen.
Dat is toch je juf die vindt
dat je driehoeksmeetkunde maar glimworm kent. Volgens hem niet.
Die glimworm was de evaluatie van zijn juf van zijn zelfevaluatie.
Daarnaast stond er weer een glimworm: zijn evaluatie
van de evaluatie van zijn juf van zijn zelfevaluatie.
Dat rapport is tien weken over en weer gegaan.
Het compromis was kachel, omdat ze er allebei vanaf wilden zijn.
Ik dacht: hij zit nog maar twee jaar in die school.
De andere zit er al zes jaar in.
Ik ben op Smartschool gaan kijken welke vakken hij allemaal krijgt dit jaar.
Hij heeft dit jaar het vak: leren leren. Wat krijg je dan in het vak leren leren?
In het vak leren leren leer ik leren.
Kon je dan niet leren voor het vak leren leren?
Nee, ik ga nu leren leren in het vak leren leren.
Je had toch beter in het eerste leerjaar leren leren
zodat je dan al had leren leren?
En hoe ga je nu de inhoud van het vak leren leren
als je nog niet hebt leren leren?
Hij had ook een boekfragmentbespreking tegen volgende week.
Wat is dat? Wij kennen dat niet, een boekfragmentbespreking.
Wij kennen een boekbespreking.
Een boekfragmentbespreking is dat je één hoofdstuk leest van een boek
en dat je dat dan bespreekt.
En dat is om te kunnen doorgroeien naar een volledige boekbespreking.
Maar je leest toch al volledige boeken? Ja, zegt hij.
Maar dat ga ik nu niet kunnen doen.
Waarom? Het is een boekfragmentbespreking.
Als je volledige boeken leest, kun je toch een volledige boekbespreking maken?
Nee, de leraar heeft gezegd: Het allerbelangrijkste is doorgroeien.
Van boekfragment doorgroeien tot volledige boekbespreking.
Als ik nu al een volledige boekbespreking maak, ben ik niet doorgegroeid.
Hoe maak je duidelijk aan zo'n manneke dat dat volledig absurd is?
Ik heb 's avonds pizza besteld voor heel het gezin.
Hij wou een pizza peperoni. Ik heb hem één schelletje peperoni gegeven.
Wat is dat? Ja, het was een pizzafragmentbestelling.
Want ik weet dat jij doorgroeien enorm belangrijk vindt.
Op den duur begin je dat soort dingen in de volledige maatschappij te zien.
Een vriendin van mij, Vanessa... Ik heb haar lang niet gezien.
Ze geeft les in het lager. Ze doet dat zeker supergoed.
Ze zet een berichtje op Facebook. Foto van een getuigschrift
van een opleiding die ze heeft gevolgd.
Ze zegt dat ze vanaf nu ook yoga zal geven aan haar leerlingen.
Ik kijk naar dat getuigschrift en like het bericht.
Yoga, goed idee. Voor kinderen? Tuurlijk.
En lerarenopleiding, dan geef je het meteen juist.
Ik ben helemaal mee. Ik heb het een hartje gegeven.
Voor een West-Vlaming... Hoeveel emotioneler moet ik het nog maken?
Ik ga nu toch eens kijken op dat getuigschrift
hoeveel punten ze heeft gehaald. Er staan geen punten op.
Het zal niet met punten zijn, maar met de lichtjes van de kennis.
Ik zoek naar een vuurtoren, maar ik vind geen vuurtoren.
Ik vind geen fakkel, geen kachel.
Lager dan een kachel zal het bij haar zeker niet zijn.
Er stond één zin op dat getuigschrift, in kalligrafische letters.
Dat was alles wat erop stond. De zin was:
Vanessa heeft...
met plezier deelgenomen...
aan de lerarenopleiding yoga voor kinderen.
Met plezier deelgenomen.
Mijn beste maat Bart heeft ook met plezier deelgenomen
aan zijn eerste kan geneeskunde,
maar ze hebben hem daar toch geen diploma voor gegeven.
Ze zeiden: 3 op 20 is te weinig om naar het tweede jaar te gaan.
En gelukkig. Stel je voor: je appendix is gesprongen,
je hebt nog een kwartier als de operatie niet snel en deskundig gebeurt.
Plots zie je Bart binnenkomen met een vuile, groene schort aan,
een Duvel en een geroest breekmes.
Bart, jij was toch gebuisd in je eerste kan geneeskunde?
Ja, voor de theorie. Maar ik heb met zodanig veel plezier deelgenomen
dat ze mij hier direct aanvaard hebben als chirurg.
We gaan je appendix eens uitsnijden.
Als ik de verkeerde uitsnij... Je hebt er twee, hè.
Met plezier deelgenomen.
Boekfragmentbespreking.
Vlammetje, fakkel, kachel. Vuurtoren.
Leren leren?
Ik ben zo blij dat we die zever van bidden en biechten
uit het onderwijs hebben gehaald. Echt waar.
Maar ik begin meer en meer te denken dat we de ruimte die is vrijgekomen
aan het opvullen zijn met nieuwe zever.
Ik dacht: ze gaan de zaak nooit kunnen overnemen.
Ze zullen geen teksten kunnen schrijven.
Als ze ze kunnen schrijven, gaan ze ze zelf niet kunnen lezen.
Misschien kunnen ze niet eens met het busje rijden.
Als ze een rijbewijs halen, zal het een zijn met twee korte ei's.
Heel de nacht wakker gelegen. In het middelbaar
moeten ze dat allemaal rechttrekken. Ik hoop dat hij daar
tenminste gewoon Nederlands leert spreken en schrijven.
Dat dat daar begrijpelijk is. Opgestaan om vier uur 's nachts.
Ik moet de eindtermen checken.
Van Nederlands. Het enige waar ik iets van afweet.
Moest het nu zijn dat ik vind dat er in die eindterm
hier en daar een punt of komma verplaatst zou moeten worden,
is het mijn burgerplicht om dat te laten weten aan de bevoegde instanties.
De eerste eindterm van de eerste graad Nederlands.
Dus wat ze moeten kennen op het einde van het tweede jaar.
Het Nederlands receptief, productief en interactief
zowel mondeling als schriftelijk gebruiken als communicatiemiddel
in relevante situaties.
Wanneer gebruik je dat ooit als communicatiemiddel
in niet-relevante situaties? Wat is dat dan?
Dat je op Antarctica aan 'n pinguïn vraagt of hij alsjeblieft je veters kan strikken?
Dus dat stukje kan er wel uit. En dan krijg je:
Het Nederlands receptief, productief en interactief
zowel mondeling als schriftelijk gebruiken als communicatiemiddel.
Ja, gebruik je dat niet altijd als communicatiemiddel?
Het is niet als je een nagel in een muur moet kloppen,
je daar een gezegde voor gaat nemen, toch?
Dat stukje kan er ook uit en dan krijg je:
Het Nederlands receptief, productief en interactief
zowel mondeling als schriftelijk gebruiken.
Dat kan je eenvoudiger zeggen, mondeling en schriftelijk gebruiken.
En dan krijg je: Het Nederlands receptief, productief en interactief
spreken en schrijven. Maar ja, spreken is al productief,
want je produceert iets. En schrijven ook.
Dat kan er wel uit en dan krijg je:
Het Nederlands receptief en interactief spreken en schrijven.
Receptief komt van recipere, ontvangen in het Latijn.
Dus ja, als je spreekt dat er iemand dat ontvangt en dus luistert
en als je schrijft dat er iemand leest... Maar ja, dat is automatisch toch?
En interactief, dus tussen twee partijen.
En waarom zou je anders spreken of schrijven?
Dat kan er ook uit en dan krijg je:
Het Nederlands spreken en schrijven. En eigenlijk is er maar één Nederlands
dat je moet leren spreken en schrijven: het Algemeen Nederlands.
Dus dat bepaald lidwoord kan er ook uit en dan krijg je:
Nederlands spreken en schrijven. Voilà.
Dat is waar ik op uitkwam om zeven uur 's ochtends.
Helemaal opgewonden. Marjan staat op en zegt:
Heb jij de hele nacht aan de computer gezeten?
Ja, ik ben bezig met iets superbelangrijks.
Kom maar ontbijten met mij en met de jongens.
Dat vind ik superbelangrijk.
Nee, ik ben de contactgegevens van Ben Weyts aan het zoeken,
zodat ik hem al de eerste veranderingen in de eerste eindterm kan doorgeven.
Dan kan hij het al aanpassen op de website,
zodanig dat het klaar is tegen dat de scholen opengaan om acht uur.
Ze zegt: Is het weer zover? Ga je weer boel zoeken met een minister?
Weet je nog, de vorige keer? Ja, ik weet het nog.
We hebben het bossencompensatiefonds kunnen vrijmaken.
Acht miljoen euro, waarmee we 200 hectare bos konden aanplanten.
Ja, weet je nog hoe het was met jou? Ik zeg: Ja, niet zo goed.
Ik was veranderd in een knotwilg.
Ik kon aan niks anders meer denken. Boswachters waren mijn enige vrienden.
Ik was verliefd op een eekhoorn.
Ik voelde dat ik mijn bloed moest laten trekken en ging naar de dokter.
Ik had geen bloed meer, ik had een sapstroom.
De dokter zei dat ik in een obsessie zat en dat dat een doodlopende weg was.
Dat zal een bospad zijn, waarschijnlijk.
Hij zei dat ik mijn lichaam weer moest leren voelen,
dat ik kon afdalen vanuit mijn hoofd.
Hij zei: Misschien met een goede massage.
Marjan zei: Dat zal een harde moeten zijn, hoor.
Ik zal ze wel boeken. En ze heeft voor mij een harde massage geboekt
in een hamam in Marrakesh.
Ja, ik weet het. Dat is met het vliegtuig.
Maar ja, 200 hectare bos... Dan mag ik ook eens vliegen, zeker?
Ik zat op het vliegtuig en dacht:
hamam, dat klinkt toch niet alsof je daar een harde massage gaat krijgen.
Dat klopt niet, dat woord. Hamam. Dat zijn Marokkaanse mamaatjes
met de malse hammetjes van hun armpjes. Hamam.
Ik kom daar aan en dat waren allemaal venten. Dat was een hapap.
Blote venten met een lendendoekje aan.
Ik heb me aangepast aan de plaatselijke kledijvoorschriften.
Ik ga die hamam binnen.
Ben je al eens in een hamam geweest?
Ja? Je moet zo'n dichte mist binnen. Je ziet geen halve meter ver.
Daarom dat je met de auto niet naar binnen mag.
Je zou voortdurend kettingbotsingen hebben.
Er is daar een marmeren vloer. Een warme, natte, marmeren vloer
en daar moet je op gaan liggen. Bloot, lendendoekje aan.
Je ligt er met een man of tien naast elkaar.
Ik heb me erbij gelegd. Bloot, lendendoekje, armen open.
Ik was nog niet ontspannen. Ik had nog grapdwang.
Ik zie ons liggen met tien man naast elkaar. Bloot, lendendoekje.
Ik zeg: Mannen, ze moeten de kruisen nog leveren, zeker?
Misschien wel een voorbeeld van het gebruik van Nederlands
als communicatiemiddel in een niet-relevante situatie.
Ik was ook nog te analytisch bezig. Ik dacht: wie heeft dat ontdekt,
dat dat deugd doet om bloot met een lendendoekje aan
te liggen op een warme, natte, marmeren vloer?
Dat zal waarschijnlijk een vloerverwarming geweest zijn
die slecht gelegd is, waardoor er warm water begon uit te spuiten
op die marmeren vloer, in het weekend.
Die eigenaar kwaad natuurlijk.
Gebeld naar die loodgieter die dat slecht gelegd had.
Die zal naast zijn zwembad gelegen hebben met een zwembroek aan,
maar die zal gescheurd zijn.
Hij nam een keukenhanddoek van de draad en draaide die rond hem.
Daar toegekomen is hij uitgegleden en op die warme, marmeren vloer geland
en gedacht: jongens, dat doet deugd
om bloot met een lendendoekje te liggen op een warme, natte, marmeren vloer.
Ik ga hier een businessmodel van maken
en ik noem het hapap.
Maar ja, op zijn tanden geland. Dus ja: hamam.
Denk ik, hè.
Ik lig daar, er komt een grote, brede Marokkaan op me af met een spons.
Ik dacht: wat gaat die nu doen?
Die begon mij te scrubben. Dat had ik niet zien komen.
Sindsdien loop ik helemaal anders rond in de Brugse Poort in Gent.
Vroeger was ik soms op mijn ongemak. Als je om 2 uur 's nachts rondloopt
en er zo twintig jonge Marokkanen op je afkomen
met hun handen in hun broekzakken en hun joggings:
Hé, meneer, meneer. Dan was ik soms ongerust.
En nu weet ik: die willen mij gewoon scrubben natuurlijk.
Dat zijn sponsen dat ze hier zitten hebben.
Ik moet gewoon mijn kleren uitdoen en zeggen: Scrub mij maar, mannen.
Wat die gast kon met die spons, dat was ongelooflijk.
Hij duwde ze mijn ene oor binnen en trok ze er aan de andere kant terug uit.
Hij haalde mijn oogballen uit en kuiste de achterkant af.
Hij zei dat er heel veel krijt aan hing.
Hij schuurde mijn rug alsof hij een plancher schuurde
en met een aftrekker deed hij al die pellen eraf, zo in een emmertje.
Voor het brandwondencentrum van Neder-Over-Heembeek.
Dat was goed vel, dat was nog niet om weg te gooien.
En toen begon hij mij te masseren. Maar dat was ongelooflijk.
Dat was hard en zacht tegelijk.
Dat was folteren en kietelen tegelijk.
Hij begon mij te masseren. Ik zag heel zijn stamboom voor mij.
Ja, zijn vader was een...
Een bakker.
Zijn moeder was een...
accordeoniste.
Zijn grootmoeders deden de was op de rotsen langs de rivier.
En zijn grootvaders waren aan het sluipen in de oorlog,
er al van overtuigd dat ze gewonnen hadden.
Toen ik weer aankwam in Zaventem na die harde massage, was ik herboren.
Marjan zei bij het ontbijt: Ik ga nog eens zo'n harde massage voor je boeken.
Ik heb het gevoel dat het weer nodig is. Ik zei: Nee, Marjan.
Net op dat moment krijg ik een heel belangrijke sms binnen.
Een nieuw engagement.
Een ik-weet-niet-hoe-grappige actrice die mij sms't:
Het is goed, kom maar langs. We kunnen er eens over praten.
Mijn kans om weer aan de juiste kant van de geschiedenis te gaan staan.
Dat is mijn corona geweest.
Even niet op dit podium.
Dat eens van een afstand bekeken.
Voor het eerst in mijn leven beseft
dat voor elke vrouwelijke stand-upcomedian
er 20 of 30 mannelijke zijn.
Dat comedypodium hier is niet gendergelijk.
Dat was mij nog nooit opgevallen.
Ik snap niet waarom. We zijn bij ons thuis enorm gendergelijk opgevoed.
Mijn moeder...
was een vrouw.
En zij heeft niet mogen studeren omdat ze een meisje was.
Haar broers mochten wel studeren. Dat is er bij ons ingepeperd door haar
dat dat onrechtvaardig is, dat het gelijk verdeeld moet zijn.
Dat er geen enkel biologisch verschil tussen mannen en vrouwen
zou kunnen verklaren waarom er in een aantrekkelijk beroep
geen evenwicht zou moeten zijn.
Ik dacht: hoe komt dat dan dat ze hier niet staan, de vrouwen?
Ik dacht: waarschijnlijk hebben collega's van mij
heel vrouwonvriendelijke dingen gezegd in hun shows.
En voelt het podium nu voor vrouwen niet meer veilig.
Ik heb de shows van mijn collega's eens bekeken.
Wat een seksistische rotzooi is dat, zeg.
Ik snap heel goed dat jullie alleen naar mij komen kijken.
Dan mijn eigen materiaal ook eens herbekeken
om te zien hoeveel beter ik het had gedaan.
Ook ik heb fouten gemaakt.
Als je fouten maakt, geef je ze toe.
Het is alleen zo dat we een nieuwe start kunnen nemen.
Hier: pornoëzietje.
Een vuil seksgedichtje.
Bianca, vaak denk ik tevreden aan jouw harigheid nog terug.
Hoe vaak heb ik jou niet bereden met als teugels het haar op je rug?
Wat voor lichaamsbeeld van de vrouw schets ik hier eigenlijk?
En dan nog haar echte naam gebruiken ook.
Kijk, je geeft je fout toe en dan verbeter je je fout.
Dat is alles wat je in het nu kunt doen. En dan krijg je dit.
Je klaagt over saaiere paring nu ik steeds van je rug afglijd,
maar sinds je permanente ontharing ben ik de grip toch wat kwijt.
Dit is beter, toch?
Dit kan nog, hè? Juffrouw? Ja, hè? Dit passeert, hè?
Hier, dit is misschien wel de ergste die ik ooit heb gemaakt.
Ik heb het gemaakt, dus ik neem de volle verantwoordelijkheid.
Maar het publiek heeft er ook om moeten lachen.
Nu kun je je niet meer voorstellen dat een publiek dit grappig zou vinden.
Naakt op je knieën zit je te zeuren omdat ik één keer heb gemist,
maar schat, heb jij je in een huis met twee deuren
dan nooit eens van ingang vergist?
Nee komaan, Capitole. Alstublieft.
Hier zijn we voorbij, toch?
Ik ga even dit gedicht analyseren.
Zij zit in een kwetsbare positie op haar handen en haar knieën.
Ik doe haar pijn. Zij zegt er iets van.
Het zou nog maar mankeren, zeker?
En wat is mijn reactie? Stop eens met memmen.
En dat vindt de Capitole nog altijd geweldig.
In welk tijdperk zijn jullie blijven steken, zeg?
Ik heb direct met Marjan een nieuwe regel afgesproken in het liefdesspel.
Als de ene liefdespartner de andere liefdespartner pijn doet,
dan mag de andere liefdespartner evenredig weerwraak nemen.
Vind ik maar juist.
En toen is er een paar weken geleden dit gebeurd.
Daarnet, toen we het deden als hondjes, was ik weer eens niet geconcentreerd.
Dus ik snap perfect dat jij nu mijn kontje met een voorbinddildo penetreert.
Dat is maar rechtvaardig, vind ik.
Toch nog ruzie gekregen.
Over wie er die dildo moest afwassen.
Ik zeg: Het is die van jou. Het zat rond jou.
Nee, het is die van jou. Hij zat in jou.
De vrederechter had nog nooit zo'n rare zaak gehad, zei hij.
Wij waren ook nog in die toestand naar daar geweest.
Twee weken in al zijn wetboeken gezocht, maar niks gevonden.
Hij heeft uiteindelijk die dildo zelf afgewassen en teruggebracht.
Weet je, waarschijnlijk is het uit privilege dat ik hier sta.
Dat snap ik ook. Maar moet ik nu van het podium?
Ik sta hier nu toch. Kan ik dan niet beter deze plek gebruiken
om getalenteerde vrouwen het podium op te trekken?
Een lijst gemaakt van allemaal grappige vrouwen,
naar allemaal een sms gestuurd: ik vind je zo getalenteerd.
Als er iemand een komische solo zou moeten maken, ben jij het.
Ik wil je helpen. Ik hoef er niet voor betaald te worden.
Als je gewoon in elk interview eens uitdrukkelijk vermeldt
dat ik het beslissende duwtje heb gegeven.
Dat heb ik naar alle 50 gestuurd.
Als ze niet dadelijk antwoordden, geen probleem.
Nog eens gestuurd.
Als ze nog niet antwoordden, nog eens gestuurd. Blijven sturen.
Naar een paar moeten sturen: Wanneer ga je eens antwoorden, bitch?
Van de grappigste van allemaal kreeg ik terug:
Het is goed, kom maar langs. We kunnen erover praten.
Ik spring in mijn busje, ik cross ernaartoe, ik zet het busje in het zicht.
Dat ze kan zien wat je je allemaal kunt permitteren
met een succesvolle solocarrière.
We praten over haar mogelijke voorstelling.
Ze heeft zulke goeie ideeën, zulke goeie avonturen.
Het talent spat eraf. Ik dacht: die voorstelling is klaar,
ze is vertrokken voor een tournee van drie jaar.
Plots zegt zij, vanuit het niets:
Goh, Wouter. Weet je wat het is?
Ik weet niet of ik boeiend genoeg ben om anderhalf uur naar te luisteren.
Dat was een gedachte die ik nog nooit had gehad.
Ik ben in mijn busje gesprongen en weggecrost.
Wat als dat besmettelijk is?
Ik dacht: wat heb ik nu meegemaakt?
Het talent gutst eraf en ze denkt dat ze het niet kan.
Dat is...
zelfonderschatting.
Ja, hè?
Ik dacht: zou dat vrouwelijk zijn?
Zou dat toch een verschil zijn tussen mannen en vrouwen?
En heb ik dat, zelfonderschatting?
Waarschijnlijk niet. Of het zou moeten zijn dat ik mezelf onderschat.
Ik overloop in mijn hoofd al mijn mannelijke collega's.
Heeft die zelfonderschatting? Nee. Heeft die zelfonderschatting? Nee, nee.
Heeft die zelfonderschatting? Misschien wel, ja.
Nee, ja. Die heeft net die wei in Werchter afgehuurd.
Niemand, ik vond niemand die het had.
Maar als wij geen zelfonderschatting hebben, wat hebben we dan wel?
Ik kon op niks komen. Ik rij door naar de bibliotheek
om de gespecialiseerde literatuur te raadplegen.
Ik vind een boek van een evolutionair psychologe.
Zij zegt dat er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen.
Sommige zijn biologisch, andere zijn veroorzaakt door de maatschappij.
Dat moet je in de gaten houden.
Als het biologisch is, kun je er eigenlijk niks aan doen.
Is het door de maatschappij veroorzaakt, ben je verplicht om er iets aan te doen
voor de benadeelde partij, snap je?
Dus ik begin dat boek te lezen. Ik probeer bij elk verschil te denken:
is dat nu biologisch of door de maatschappij veroorzaakt?
Ik weet het niet.
Hier, één hoofdstuk.
Vrouwen hebben meer negatieve gevoelens dan mannen.
Is dat biologisch of door de maatschappij veroorzaakt?
Ik weet het niet.
Ik neem het mee als basiskennis naar het volgende hoofdstuk.
Het volgende hoofdstuk:
mannen plegen veel vaker zelfmoord dan vrouwen.
Plegen ook veel meer moorden dan vrouwen,
maar plegen veel vaker zelfmoord dan vrouwen.
Eerst dacht ik: dat is biologisch, waarschijnlijk.
Je zou denken dat mannen met minder negatieve gevoelens
minder vaak zelfmoord plegen.
Eerst dacht ik: het is omdat we impulsiever zijn.
Dat we rapper daden stellen, ook als dat destructief is.
En dan dacht ik: nee, misschien is het toch de maatschappij.
Misschien is het... Ik denk luidop, hè.
Dat meisjes door het CLB
gewoon nog te weinig naar technische richtingen worden geduwd.
Het is een hypothese en het moet nog wetenschappelijk onderzocht worden.
Wat ik denk dat het zou kunnen zijn, is:
dat vrouwen wel even vaak, of zelfs vaker
zelfmoord proberen te plegen,
maar het lukt niet om de knoop te maken.
Is het gas naar links of naar rechts?
Je vergat een plugje te steken.
De haak valt eruit, je kan er je touw niet aan hangen.
Je moet bellen naar je vent: Schat, kun je even komen helpen?
Die doet dat dan, maar dan is het geen zelfmoord meer.
Dan is het moord. En dat komt bij onze cijfers.
Ik ben erover in de war. Dat is wat ik wil zeggen.
Ik rij door naar mijn maat, Bart. Woont terug thuis.
In het tuinhuis. Overgangsfase.
Als het daar lukt, kan hij misschien naar de veranda verhuizen.
We zijn hem blijven steunen met de vrienden.
Bart is nu verpleger. Ja, ik vind dat wel verontrustend
dat je met 3 op 20 in je eerste kan geneeskunde
nog altijd verpleger kunt worden. Een heel goeie zul je dan toch niet zijn.
En dan zetten ze hem nog op spoed ook.
Hij kan het niet goed, we gaan hem alles heel rap laten doen.
Maar goeie verhalen dat Bart heeft. We liggen altijd plat van het lachen.
We hadden nu wel gezegd: Bart, we moeten bewijzen zien.
Eigenlijk kan jij beweren wat je wilt.
Wel, die keer had Bart een grote stapel röntgenfoto's mee.
Nog van die ouderwetse afgedrukte röntgenfoto's.
Een lichtbak waar je die foto aan kon plakken, met magneten erop.
Zalige foto's. Wat een domme kloten arriveren er op spoed.
De allergrappigste foto was een heel vuile foto.
Ik ga hem gewoon vertellen.
Het was een foto van dit stuk van het lichaam. Van hier tot hier.
Het was een foto van een man. Er stond een piemel op de foto.
Maar de foto was niet voor de piemel gemaakt,
want er was niet scherpgesteld op de piemel.
De piet was flou, wil ik zeggen.
Je kunt zeggen: dat kan ook het medisch probleem geweest zijn.
Dat die gast tijdens het plassen ziet: verdomme, mijn piet is flou.
Toch even naar spoed. Kun je daar eens een foto van maken?
Maar dan gaat die radioloog zeggen: Ik zie zo ook wel dat je piet flou is.
Ik moet daar geen foto voor maken.
Dan zegt die gast: En wat moet ik nu doen?
Kan dat nog genezen?
Nee, je zult een vrouw moeten zoeken met een floue foef.
Het kan zijn dat je tot in Poperinge moet gaan zoeken.
Wat stond er wel scherp op de foto? De sluitspier stond er scherp op.
Het stuk darm boven de sluitspier stond scherp op die foto.
Het voorwerp dat vastzat
in het stuk darm boven de sluitspier stond scherp op de foto.
Dat was een dildo.
Het is daarvoor niet dat ik het vertel.
We hebben dat allemaal al weleens meegemaakt.
Maar er zat nog een voorwerp vast in het stuk darm boven de sluitspier.
Het zat een stukje over de dildo en een stukje achter de dildo.
Het was een knijptang.
Die zat vast over de dildo, achter de dildo. Sluitspier dicht.
Dat vond ik zo'n goeie foto.
Je zag wat er in volgorde fout was gegaan. Heerlijk.
Ik lag plat van het lachen.
En plots dacht ik: maar wacht eens.
Die foto hier is een röntgenfoto van de essentie van de man.
Ik dacht: bij een vrouw ga je nooit zo'n foto zien.
Als er bij een vrouw een dildo in de poep floept... Zal ook weleens gebeuren.
Wat doet de vrouw? Die denkt: oei, ernstige situatie.
Ik moet me laten helpen door een professional.
Toch best even naar spoed.
Als er bij een man een dildo in de poep floept, denkt de man:
oei, even naar mijn werkkot.
Knijptang gaan halen. Ik ga dat wel zelf doen. Floep.
Oei. Ja, misschien toch even naar spoed.
En plots wist ik wat we hebben in de plaats.
Zelfoverschatting.
Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat mijn carrière van meer dan 20 jaar
gebaseerd is moed, discipline, talent, hard werk, doorzettingsvermogen.
Ik zie die foto en ik denk: nee, jongen. Het is allemaal dezelfde eigenschap
waarbij je evengoed een knijptang in je gat had kunnen duwen.
Ik ben nochtans nooit een twijfelaar geweest.
Altijd van alles zeker.
Net zoals mijn ma. Ook altijd van alles zeker.
Mijn ma en ik, allebei altijd van alles zeker.
Zeker van tegenovergestelde dingen.
Mijn ma: orde, structuur, planning.
Op die manier krijg je je gezin het rapste en het beste gedaan
en blijft er genoeg tijd over voor engagement.
In de KWB, de KAV, de KVLV. Ma zat in alles wat met een K begon.
Het zou me niet verwonderen moest ze nog in de KGB hebben gezeten.
Als ze er nu nog in zat, was de oorlog in Oekraïne al gedaan.
Ze zou gezegd hebben: Vladi, in je mande.
Vladimir, in je mand.
Dan had ze nog tijd over om plasma te geven.
Om de twee weken, veertig jaar lang.
Nog tijd over om het boekje van de vrouwenbond
naar een vrouw of twintig te brengen. Veertig jaar lang, om de twee weken.
Nog tijd over om te wandelen in groep, te fietsen in groep,
te kaarten in groep. Orde, structuur, planning.
Tot haar laatste dag toe.
Zelf gepland.
Tuurlijk, we schrokken daar niet van. Mijn ma regelde altijd alles.
Ze had de papieren geregeld.
Ze had de datum geregeld, ze had de dokter geregeld.
Daar moet je toch sterk voor zijn?
Terwijl je ziek bent allemaal.
Misschien dat ik het zelf ook nog wel geregeld kreeg,
maar ik zou het niet kunnen onthouden.
De bel gaat, je gaat opendoen, het is de dokter. Oei, was dat vandaag?
Bah ja, laat het ons doen.
Zou je het erg vinden om daarna te gaan padellen? Of ze hebben een man te kort.
Ik was blijven slapen de avond tevoren.
Ik ga voor een keer in mijn leven vroeger opstaan dan mijn ma.
Ik ga haar laatste ontbijt klaarmaken.
Ik ga naar bakkerij Bernard. Ik ga de beste zoete koeken halen die er zijn.
Ik sta op om zes uur.
Mijn moeder was al op.
Ze zat al aan de keukentafel en was al aan het ontbijten.
Twee witte boterhammetjes. Twee koekeboterhammetjes.
Boerenboter. Kopje koffie.
Ik zeg: Ma, ik ga nog even naar Bernard.
Een paar goeie zoete koeken gaan halen.
Nee, nee, zei ze.
Het is een weekdag.
En dat ontbijtje heeft meer dan zestig jaar gediend.
Het zal vandaag ook wel dienen.
Dat vond ik schoon.
Dat je afscheid neemt van wat je zo ver heeft gebracht.
Ze deed alles zoals gewoonlijk.
Het kruiswoordraadsel van het Nieuwsblad ingevuld.
Helemaal.
Alles juist.
Ik heb het gecheckt.
Op je laatste dag.
Ik ga om het even wat invullen. Wat gaan ze doen?
Het was een mooie dag.
Hoe raar dat ook is. We hebben nog veel gebabbeld.
Ze nam afscheid van de schoondochters. Ze zei:
Ik ga jullie nog weerzien.
Tegen ons zei ze niks.
Dus ik denk dat het met aparte afdelingen is.
Helemaal op het laatste hadden we haar vast met de vier broers.
En als je dat bedenkt... Wij zijn al het leven dat zij heeft voortgebracht.
En al dat leven was met haar en met elkaar verbonden op dat moment.
Letterlijk.
Op het moment dat ze ging, had ik het gevoel
dat ik nog een stukje leven heb gekregen. Wilskracht, denk ik.
Soms als het eens moeilijk is, voel ik iets van wilskracht
dat ik denk: dat ben ik niet, dat is Rosa.
En als ik het gekregen heb, moeten mijn drie broers het ook hebben,
want het was altijd voor iedereen gelijk.
En sinds zij weg is,
kan ik nu ook eens kijken wat er daarin zit.
Want dat moet nu nergens meer tegen vechten.
Vrijheid zit daarin bij mij.
Mijn eigen zin doen, ik bepaal het nu wel zelf.
Niemand moet mij iets vertellen.
Dat is nodig geweest om dit te doen, dus ik ben dat ook dankbaar.
Maar soms denk ik: wat doe ik eigenlijk nog met die vrijheid?
Soms zit ik zes uur per dag op Facebook.
Wat voor vrijheid is dat eigenlijk?
Zoals een poema die vrijwillig in een hondenhok kruipt.
Ik heb nu een app die Freedom heet. Weet je wat die app doet?
Die zorgt ervoor dat ik niet op Facebook kan.
Ik heb een app van zeven euro per maand
die mijn internetverbinding van 45 euro per maand onmogelijk maakt.
Het is zijn geld meer dan waard. Ik wou dat ik het op nog domeinen had.
Als ik in de winkel weer twee zakken chips wil,
die ik dan 's avonds voor de tv leeg eet zonder dat ik het doorheb.
Ik wil ze pakken en het gaat niet. Ik krijg mijn handen niet dicht.
Want ik heb de app Chips Freedom.
Ik laat mijn oudste proberen, maar het gaat ook niet.
Dan weet ik al: Fuck, ik heb een gezinsabonnement genomen.
Ik heb nu een Polar, een sporthorloge.
Niet om te joggen of om te fietsen. Om op tijd in mijn bed te geraken.
Meestal is dat maar om drie uur, omdat er altijd wel nog iets interessants is.
Om zeven uur er weer uit. Heel de dag slechtgezind.
Kindjes die zeggen: Papa heeft te weinig geslapen, zeker?
Op die Polar kun je intypen hoeveel uur je wilt slapen.
Zevenenhalf uur, heb ik ingesteld.
Hij geeft een discreet biepje om halftwaalf
dat het misschien het moment is om erin te kruipen.
Ik zag het helemaal zitten.
De eerste avond hoor ik dat biepje en ik had al ruzie met mijn Polar.
Fuck you, Polar.
Dat ik ga slapen voor een horloge, zeker? Ik ben een Freedom Fighter.
Weer vier uur geslapen.
De volgende ochtend om zeven uur krijg ik mijn rapport.
Gewenste slaapduur niet bereikt, met zes uitroeptekens.
Roep zo niet, ik heb te weinig geslapen.
De volgende avond zat ik erin. Het biepje en ik in mijn nest.
Om een goed rapport te krijgen. Heel de nacht wakker gelegen.
Bang geweest dat Polar dat zou merken.
Niks gemerkt. De volgende ochtend: slaapduur precies zoals gewenst.
Yes. Dat is meester Bilke met een polsbandje dit.
Ze had nog een beetje commentaar: veel onderbrekingen.
Op mijn leeftijd moet je 's nachts al eens plassen.
Ik ga nu niet meer, hoor. Ik blijf liggen, hè.
Ja, ik heb al in mijn bed geplast voor Polar.
De dag dat die horloges kunnen ruiken, ben ik eraan voor de moeite.
Ik heb ook altijd zo moeten lachen
met dat kleine engagement van de generatie van mijn ouders.
Een zakje plasma, wat een verschil gaat dat maken?
Het boekje van de vrouwenbond.
Ik dacht: doe je engagement toch met een grote snok,
dat je het kunt uitdrukken in duizendtallen en hectares.
En nu denk ik: wacht eens.
Veertig jaar lang zakjes plasma om de twee weken.
Als je dat optelt, heb je een tankwagen vol plasma.
Veertig jaar lang het boekje van de vrouwenbond bij twintig vrouwen.
Dan heb je een geheim vrouwengenootschap gestart,
met een vrouwentaal over vrouwenonderwerpen.
Je hebt de vrouwmetselarij gestart.
Wat een generatie.
Zeker de vrouwen.
En ze zijn bijna weg.
En ze hebben er niet veel over verteld hoe je het moet doen.
Ik denk dat ze hadden aangeleerd dat dat ongepast was.
Ik heb een ode geschreven aan mijn moeder.
Is dat oké voor jullie als ik dat in de geboortetaal van mijn ma doe?
Mijn moeder was van Lapland.
Ik ga het als compromis in het West-Vlaams doen.
Als de mensen nu vragen: wie was je moeder?
Dan zeg ik dat mijn ma hutsepot kon maken en bouilli.
Dat ze brood kon bakken en sinterklaaskoeken.
En dat haar chocolademousse de beste van West-Vlaanderen was.
Dan zeg ik dat mijn moeder plaats kon toveren.
Want als ze in de lange, smalle zetel lag,
had ze toch nog altijd een spietje over voor haar jongste kind of kleinkind.
Dan zeg ik dat moeder in die zetel zo schoon kon liggen lezen.
Helemaal in haar boek. En dat ze soms zelfs lag te lezen
met haar wang op het blad en haar ogen dicht.
Als je vroeg: 'Is het een mooi boek, ma?', dan zei ze: 'Ja, hoor.'
Dan zeg ik dat mijn moeder zo goed voor je kon zorgen als je ziek was
dat je het bijna spijtig vond om te snel te genezen.
Dan zeg ik dat mijn moeder met haar vriendinnen ging fietsen.
Een peloton van vrije vrouwen, een symfonie van kettingen en getater.
Dan zeg ik dat ze is blijven fietsen tot ze er bijna niet meer op of af kon.
Maar als ze erop zat, ging ze nogal.
Dan zeg ik dat mijn moeder 80 kon rijden met de auto in tweede versnelling.
Dan zeg ik dat mijn moeder kon roddelen zonder dat het roddelen was,
want ze zei dat ze het zelf had horen vertellen.
Dan zeg ik dat mijn moeder kon diëten zonder te vermageren,
omdat ze stopte om acht uur 's avonds en dan goed at
om sterk te staan voor het dieet van de volgende dag.
Dan zeg ik dat ze altijd een druppeltje saus morste,
omdat ze de lepel te snel wegtrok om al het volgende te doen.
Dan zeg ik dat mijn moeder als vrijwilligster van 79
nog ging inslapen bij een vrouw van in de tachtig.
Omdat het toch niet gemakkelijk was voor zo'n oud vrouwtje.
Dan zeg ik dat mijn moeder niet echt naar school was mogen gaan,
maar dat ze van heel haar leven een school had gemaakt
waarin ze ons altijd versloeg met Scrabble.
Dat ze altijd onthield wie er nog met een aas bloot zat.
En dat ze altijd wist wie van Geluwe
er een verre nicht was van een kennis van een vriend.
Als ze vragen wie mijn moeder was,
dan zeg ik dat mijn moeder koekegoed was.
Maar niet onnozel.
Dan zeg ik dat ze bescheiden was, maar wist wat ze waard was.
Dan zeg ik dat ze geen vleier was,
maar wel een steunder.
Dan zeg ik dat mijn moeder een rots was.
Een bui na een doefe dag.
Een zekerheid, een goed gevoel.
Een thuis.
Dan zeg ik dat haar laatste woord merci was.
Maar dat ze eigenlijk zelf het cadeau was.
En in de weken nadien gebeurde er iets heel raars.
Ik was dankbaar.
Een gevoel dat ik niet zo goed ken.
En ik had dat nu bij alles wat ze ooit heeft gedaan.
De taalcreativiteit die ze ons heeft meegegeven, in het West-Vlaams.
Hoe ze ons bang maakte voor de verkoopster van de Superconfex.
Ze was ongerust dat we oogcontact zouden maken
en zij zich dan verplicht zou voelen om iets te kopen.
Ze zei: Pas daar van op. Ze zou een man een sportbeha verkopen.
Het zat in de familie. Mijn tante Agnes,
waar ik 's middags ging eten als ma aan het werken was.
Als het vis was, zei ik: Tante Agnes, ik lust geen vis.
En dan zei zij zo snel als wat: Het is geen vis, het is waterkip.
Maar lekker dat dat was.
Je proefde dat dat beestje in het water was opgegroeid.
Zo mals dat dat was.
Misschien is het sentimentaliteit, ik weet het niet.
Ik had dat zelfs met de bende van Menen.
Die vond ik altijd krapuul, want ze klopten ons in elkaar.
En nu dacht ik: het waren wel de Shakespeares van de kleine criminaliteit.
Wat zij allemaal riepen terwijl ze naderden om ons in elkaar te kloppen.
'Maak snel nog een groepsfoto van je tanden.' Mooi toch, hè?
Heeft Picasso heel je gezin gedaan,
of heeft hij alleen jouw gezicht geschilderd?
Moesten ze jouw geur in de kaas steken,
een Fransman zou er veel geld voor geven, hoor.
Bel de loodgieter maar.
De geur die uit je bek komt, moet eigenlijk uit je gat komen.
Er is vanbinnen waarschijnlijk een terugslagklep kapot.
Ik klop niet op je kin, want die heb je nog nodig om je karretje te besturen.
Daar zouden ze T-shirts van moeten maken, zie.
Ik ben weer in actie geschoten door een telefoon van Pieter.
Eén van de dertig.
Zwerm, zwerm. Ik zeg: Zwerm, zwerm.
Hij zegt: Zwerm, zwerm.
Wij hebben op zo'n moment niet veel woorden nodig.
Ze hingen in een boompje op het marktplein van Ledeberg.
Hij moest om twee uur terug op zijn werk zijn.
Of ik kon afkomen met de zwermkorf en de imkerpakken.
Ik spring in mijn bijenbusje, ik cros ernaartoe.
Ik denk: nu komt het allemaal samen. Straks een zwermkorf met 30.000 bijen
die naar honing ruiken in mijn bijenbusje.
Pieter staat al klaar in zijn onderbroek op het marktplein van Ledeberg.
Klaar om in zijn imkerpak te springen.
Ik spring uit mijn auto, ik geef hem de zwermkorf,
ik haal de imkerpakken. Ik heb ze niet mee.
Dat meen je niet. Wacht, kijk eens in de zwermkoffer.
Er zat iets wits in. Het was een imkerpak, een kleintje.
Eentje dat ik had gekocht voor mijn zoon van acht jaar.
Ik zie dat pakje en denk: bah ja, dat zal ook wel gaan.
Ja, ik was even die röntgenfoto vergeten.
Wat moeten die bijen gedacht hebben toen ze ons zagen naderen?
Ik met dat gekrompen imkerpak tot hier en tot hier.
Hier opendeurdag, mijn neus zat tegen die ijzerdraad.
Op de schouders van Pieter, met nog altijd alleen zijn onderbroek aan.
Ik weet niet wat die bijen dachten.
Maar waarschijnlijk dacht ik dat die bijen zouden denken:
bah ja, het is toch een imkerpak, hè?
We gaan nu niet moeilijk doen over de maat, hè?
Het is geen vuurtoren, maar het is toch een fakkel, hè?
Ik denk dat het nog erger is.
Ik denk dat ik dacht dat ze mij zouden herkennen.
Kijk eens, het is die gast van die 900.000 bijen, zeg.
Het is de bijenmessias.
Kom, allemaal met zes pootjes tegelijk buigen
en vrijwillig in de zwermkorf. Misschien mogen we zelfs in zijn tuin staan.
Ze hebben me zes keer gestoken.
Ça va nog, Pieter had er achttien.
Die is niet meer kunnen gaan werken om twee uur.
Hij zat bij mij in het bijenbusje op te zwellen over heel zijn lijf.
Behalve dit stukje, waar hij zijn slipje aanhad.
Hij was het tegenovergestelde van een ochtenderectie.
Die steek hier was ook niet goed.
Dat lelletje is lelijk beginnen zwellen. Ik voelde er mijn hart in kloppen.
Ik weet niet veel van biologie, maar wel dat dat niet de juiste plek is.
Ik ben naar de allergoloog moeten gaan. Ik kom binnen en hij zegt:
Amai, wat een lel van een lel. Ik zeg: Weet je wat?
Doe jij het genezen, ik doe de mopjes wel.
Hij zei dat dat angeltje waarschijnlijk vuil was geweest.
Dat vond ik zo'n smerige gedachte.
Dat dat tere vlees van dat lelletje tegen z'n zin gepenetreerd was geweest
door de vuile angel van een smerige bij die 's ochtends aan de lavabo
de moeite niet had gedaan om zich vanonder proper te wassen.
Ik moest de zwaarste antibiotica nemen.
Hij legde een staaltje klaar. Dat was zo'n pil.
Ik dacht: ik ben blij dat het geen staal is dat ik moet nemen.
Hij begint aan een voorschrift van vier bladzijden.
Hoe krijg ik die pil binnen? Komaan, Deprez. Doe niet flauw.
Het is je eigen schuld. Slik die pil door. Ik pak ze.
Ik duw ze met twee handen mijn mond binnen.
Ik kan niet zeggen dat het vlot ging. Blijven duwen.
Hij kijkt en op en zegt: Waar is die pil?
Ik ben ze innemen, hoor. Hij zegt: Maar dat was een bruistablet.
Ik heb dan een glaasje water gedronken.
Het was inderdaad een bruistablet.
Tien minuten met een jacuzzi in mijn muil gezeten.
Als het water er eindelijk door is, zegt hij: Ben jij een imker, misschien?
Ja, imker. Nee, ja.
We doen dat niet voor de honing. Het is allemaal begonnen
met een artikel over de bestuiverscrisis, dat de bijtjes het moeilijk hebben.
Te weinig leefgebied, stuifmeel, nectar en biodiversiteit.
Mijn hart brak. Ik moest toch iets doen.
Ik heb toen een bijenkast in de tuin gezet. 30.000 bijtjes.
Een druppel op een hete plaat. Ik moet meer kunnen doen.
Maar ja, die bijtjes zwermen. Op die manier kan het snel gaan.
Dertig vrijwilligers en op een paar jaar tijd
hadden we 30 maal 30.000 bijen. 900.000 bijen.
Absoluut niet voor het applaus, hè. Voor mij is het allerbelangrijkste
dat ieder zijn steentje bijdraagt. Dan kunnen we met allemaal samen
een volledig nieuwe maatschappij metselen.
Als je één ding onthoudt van deze consultatie,
zou ik graag hebben dat het dat is.
En niet dat ik een bruistablet zonder water heb proberen...
Hij zegt: Ik zit bij Natuurpunt.
Ik stel mij open voor een heel groot compliment.
Natuurpunt en wij, één strijd.
De diertjes beschermen.
Hij zegt:
Het is de wilde bij die het moeilijk heeft.
Ik zeg: Welke bij is dat juist die het moeilijk heeft?
Ik dacht: we nemen die er wel bij.
Het zal niet op één bij steken, dat mag een beetje een wilde zijn.
Hij zegt: De hommeltjes hebben het moeilijk, en de solitaire bijtjes.
Te weinig leefgebied, stuifmeel en nectar.
Meer en meer mensen die honingbijen houden.
Hij zegt: Hoeveel bijen hebben jullie? 900.000?
Ik zeg nee. Ik heb gezegd: Negen of duizend.
Ik zou nog eens moeten tellen. Het is negen of duizend.
Het zal wel negen zijn. Duizend is veel, hoor.
Het zal wel negen zijn.
Negen bijen met dertig man?
Ja, sommigen hebben hun bijen maar om de zes weekends.
Ik zeg: Ken jij de eed van Hippocrates?
Dat de patiënt zich wel beter moet voelen nadat hij bij jou is geweest?
Ik ga naar de parking, naar mijn busje.
Hij kijkt naar de parking. Ah, dat busje met die bijenstrepen waarschijnlijk?
Ik rij naar huis.
Ik begin te beseffen wat we hebben gedaan.
Die hommeltjes hebben het zo moeilijk.
Kleine gemeenschapjes, kwetsbaar, honger, kou.
Dat zijn de getto's van de jaren dertig.
En wat hebben wij gedaan? Daar wolkenkrabbers naast gezet.
Met 30.000 steeknazi's. Niet met een pin hier, maar met een pin hier.
Van 's ochtends vroeg vliegen ze uit
om soviel möglich stuifmeel und nectar zu packen von die bloemen.
De bloemen waar ze niet op zitten,
daar leggen ze hun handdoek op om te reserveren voor de rest van de dag.
Vanaf dat moment kon ik die vorte honingbijen niet meer ruiken of zien.
Met hun wintertros.
Met 10.000 samen zitten trillen met hun tetten in een kleine ruimte.
Het zal daar proper ruiken.
Wij zitten hier met 1.500 en het ruikt al niet te fris.
En er wordt dan niet eens met tetten getrild.
Je moet nu niet meer beginnen. Het is te laat.
Stuifmeel in je haarkleed. Alsjeblieft, dat is eten.
Ga zo eens op bezoek bij een vriend.
Er staat een bordje met twee beschuiten en twee mesjes.
Hij doet zijn T-shirt uit, armen omhoog. Hier is de hummus, hier de tapenade
en in mijn schaamhaar zit er Boursin. Neem maar.
Heel de nacht wakker gelegen. Wat hebben we gedaan?
Ik dacht: ik moet bellen naar mijn dertig apostels.
Dat we geen bijen meer gaan kweken, maar mijten. Aziatische varroamijten.
Tot we er miljoenen hebben en ze in de kasten van de bijen kunnen kappen
zodat ze lymfe uit de nekken van de bijen kunnen zuigen.
Ja, ik was een beetje te veel naar de andere kant aan het gaan.
Om vier uur 's nachts opgestaan,
met een gigantisch schuldgevoel tegenover de hommels.
Ik moet het toch een beetje goed kunnen maken?
Naar achter in mijn tuin gegaan, naar mijn bijenkastje.
Mijn kleren uitgedaan tot ik naakt was. Bijenkastje opengezet.
Mij over heel mijn lichaam ingesmeerd met een dikke laag honing.
Mij op het gras gelegd en geroepen voor heel de buurt:
Neemt en eet hiervan, gij hommels.
Kom, kom, kom.
Daar geleerd dat hommels 's nachts niet foerageren.
Mieren wel.
Naaktslakken ook.
Dat was het eerste dat Marjan zei toen ze mij vond om acht uur 's ochtends.
Je snot heeft voelsprieten, zei ze.
Ik zei dat ik alles kon uitleggen, maar zij vond het heel veel drama.
Dat ik moest rechtstaan, maar dat ging niet.
Ik plakte aan het gras met al die honing.
Ze heeft me met de haagschaar moeten losknippen.
Ik had veel geluk dat ik op mijn rug lag.
Ze heeft me onder de douche geduwd. Tegen dat je eruit komt,
heb ik voor jou een harde massage geboekt.
Het is meer dan tijd. Ik ga een harde massage boeken.
In je geboortestreek. Zodat je weer wordt zoals toen ik je leerde kennen.
In het hardste stadje van je geboortestreek.
In Poperinge.
Daar ga ik deugd van hebben. Een gepensioneerde hoppeboer
die mij in een hangar van asbest en negentig graden
op een strobaal gooit en met een geroeste tractor
voren in mijn rug trekt en er prei in plant.
Weet je het nog?
Ja, er is een reden waarom je verhuisd bent.
Ik kom beneden om naar Poperinge te vertrekken.
Is mijn schoonbroer toch op bezoek, zeker? Karl. Natuurlijk net die.
Die zijn leven altijd helemaal onder controle heeft.
Weet ook altijd overal de weg.
Vraagt altijd: Weet je hoe je moet rijden?
Ik zeg altijd hetzelfde: Ja, Karl. Langs het blauwe lijntje van de gps.
Hij zegt: Poperinge, weet je hoe je moet rijden?
Ik stond niet sterk genoeg op mijn benen.
Ik zeg: Nee, Karl. Hoe kan ik het beste rijden naar Poperinge, alsjeblieft?
Hij zegt: Poperinge is autostrade tot in Ieper
en vandaar de expresweg tot in Poperinge.
Ik besef dat ik niet eens weet wat een expresweg is.
Ik zeg: Karl, wat is dat eigenlijk, een expresweg?
Een expresweg, zegt hij?
Dat is een baan met twee rijstroken aan de ene kant,
twee rijstroken aan de andere kant en een middenberm.
Dat is een expresweg. Ah ja, zeg ik.
Dat is zoals een autostrade dan?
Nee, een autostrade heeft drie rijstroken en een expresweg maar twee.
Ah, zeg ik. Zoals de E314. Die heeft twee rijstroken aan de ene kant,
twee rijstroken aan de andere kant en een middenberm.
Dat is een expresweg.
Nee, zegt hij. De E314 is een smalle autostrade.
Niet alle autostrades hebben drie rijstroken, maar de meeste wel.
Ja, maar hoe kan ik dan weten als ik op een baan rij
met twee rijstroken aan mijn kant, twee aan de andere kant
en een middenberm, of ik op een expresweg rij
of op een smalle autostrade?
Dat weet je aan die letter. E-wegen zijn autostrades.
Maar autostrade begint met een A.
Je hebt er ook met een A, zegt hij. De A17, de A19.
Dat zijn autostrades. Maar je hebt er ook met een E.
Van waar komt die E dan? Dat is de E van:
En dat is ook een autostrade.
En een expresweg, heeft dat ook een letter?
Ja, dat zijn N-wegen. N9, N35.
Er zit niet eens een N in expresweg. Dat is de N van... nexpresweg.
Als ik nu op een baan rij met twee rijstroken aan mijn kant,
twee aan de andere kant, een middenberm
en ik weet de letter niet. A, E of N, ik weet het niet.
Hoe kan ik dan weten of ik op een expresweg rij
of op een smalle autostrade? Hij zegt: als je op zo'n baan rijdt,
moet je nadenken of je hier kunt doorrijden.
Want op een autostrade kun je doorrijden.
Aha, op een expresweg kun je niet doorrijden?
Jawel, zegt hij. Wel doorrijden, maar niet doorrijden.
Waarom niet?
Ja, op een expresweg kunnen er elk moment lichten staan.
Aha, dus als ik op een baan rij met twee stroken aan mijn kant,
twee aan de andere kant, een middenberm en er staan lichten,
dan rij ik op een expresweg. Voilà, zegt hij. Je bent er.
En als ik op een baan rij met twee stroken aan mijn kant,
twee aan de andere kant, een middenberm en geen lichten,
dan rij ik op een smalle autostrade.
Dat kun je zomaar niet zeggen, zegt hij. Ik zeg: Waarom niet?
Een expresweg kan ook geen lichten hebben.
Je verschiet er niet van als een expresweg lichten heeft,
maar ook niet als een expresweg geen lichten heeft.
Maar hoe kan ik dan weten als ik op een baan rij
met twee stroken aan mijn kant, twee aan de andere kant,
een middenberm en geen lichten, of ik op een expresweg rij
of op een smalle autostrade?
Als je op zo'n baan rijdt, zegt hij, moet je je afvragen:
zou ik hier verschieten moesten er hier lichten staan?
Als je zou verschieten moesten er lichten staan,
dan rij je op een smalle autostrade.
En als je niet zou verschieten, rij je op een expresweg.
Ja, maar staan er op een expresweg nooit lichten op rare plekken?
Jawel, op de expresweg naar Knokke
staan er twee keer lichten op heel rare plekken.
De eerste keer dat je daar rijdt, verschiet je dan van die lichten?
Ja, zegt hij. Je denkt: waarom staan er hier lichten?
Dan kan het toch zijn dat ik op een baan rij
met twee stroken aan mijn kant, twee aan de andere kant,
een middenberm en dat ik op een bepaalde plek denk:
hier zou ik verschieten moesten er lichten staan,
en dat dat toch een expresweg is? Ja, dat kan zeker, zegt hij.
Maar weet je wat het is? Je verschiet niet omdat er lichten zouden staan,
je verschiet omdat ze op een rare plek zouden staan.
Je moet denken: zou ik verschieten moesten er lichten staan
op plekken waar het logisch zou zijn dat er lichten staan.
Als je op die plekken zou verschieten van lichten,
dan rij je op een smalle autostrade. En als je daar niet zou verschieten,
dan rij je op een expresweg.
Dus ja, ik heb gewoon weer het blauwe lijntje van de gps gevolgd.
Ik kom aan in Poperinge, met hoge verwachtingen.
Ik dacht dat Poperinge zoiets zou zijn als Marrakesh.
De masseur was er nog niet. Hij zat nog in het kotje ernaast.
Er stond een witte, leren massagetafel met een gat voor mijn hoofd.
Had ik door nadat ik er eerst omgekeerd op lag.
Hij zei vanuit zijn kotje: Dat is niet juist, hoor.
Dan heb ik me gedraaid, geen enkel probleem.
Je ligt op dat leer. Dat is koud, hoor.
Dat is koud, hè?
Zo'n koe... Die moet het toch heel koud hebben?
Die zit helemaal in het leer.
Dat is ook niet waterdicht, hè.
Ja, als je er eerst met een spray op sprayt, anders is het niet waterdicht.
Een koe heeft geen spray, hè. Als een koe in de wei staat
en het regent, zijn haar ingewanden helemaal nat.
Daarom heeft die hier zo'n zak met van die druiptuiten
om het water eruit te laten.
Je moet ook geen spray geven aan een koe. Die kan er niks mee doen.
Je hebt een vinger nodig voor een spray.
Het is een raar stuk, hè? Ik voel het ook.
Ik ga even verderdoen.
Ik lig met mijn hoofd in dat gat.
Het spant te veel, ik krijg er mijn hoofd niet meer uit.
Het moet ook niet te breed zijn, of je hoofd hangt erdoor. Snap ik ook.
Maar wat zie je? De vloer, de onderkant van de massagetafel,
de stereo die achter de massagetafel stond.
Wel nog een goeie, nog met kabels tussen de stereo en de boxen.
Zodat de muziek nog weet langs waar het is naar de boxen.
De masseur komt binnen. Stevige stap.
Ik denk: het zal inderdaad een harde massage zijn.
Ik zie zijn benen verschijnen. Zulke kuiten.
Hij buigt naar de stereo. Ik denk: het zal wel death metal worden.
Weet je wat het was? Walvisgeluiden.
En je hebt mensen die daar rustig van worden, hè.
Ik niet, hoor. Dat zijn beesten van 3.000 kilo met piepstemmetjes.
Dat zijn de Bee Gees van de oceaan.
Ik denk gewoon voortdurend: waarover zijn die bezig tegen elkaar?
Ik moet plassen. Ik weet het niet.
Niet in het water, hoor. Ik zwem vlak achter u.
Te laat.
Ik voel het, het water is warm. Ik weet het niet.
Je zou beter je muil dichtdoen. Ik weet het niet.
Ik denk: als de massage maar goed is. Hij doet olie op mijn rug.
Enfin, ik denk toch dat het olie was.
Die was ik-weet-niet-hoe-koud. Ik voelde mijn tepels stijf worden.
Ze boorden zich door de mousse van de massagetafel
en ik zag ze er aan de andere kant weer doorkomen.
Als hij er nu schroefdraad op trekt en moeren opdraait,
kan ik nooit meer los.
Hij legt zijn handen in die olie en begint te masseren.
Ik denk: nu gaat het gebeuren.
Er gebeurde helemaal niks. Weet je wat hij deed? Dit.
Ik zag met moeite een stamboom voor mij. Een halfuur lang dit.
Zijn ouders waren flyeruitdelers waarschijnlijk.
Ik zei toen: Het mag een beetje harder, hoor. Had ik niet moeten doen.
Als hij dit deed, voelde ik al...
Telkens als hij draaide, voelde ik...
Weet je wat dat was?
Weet je wat dat was?
Weet je wat dat was?
Ja, ik heb eens een voorstelling van zes uur gehad zo.
Jij weet waarschijnlijk zelfs over wie ik hier bezig ben.
Dat was haar.
Lang haar, hier.
Dat meedraait in die olie.
En als hij hier al zulk lang haar had, wat had hij dan hier?
Dat waren twee cockerspaniëls die hij over mijn rug smeerde.
Ik heb moeten overgeven.
Het is daarvoor dat dat gat voor je hoofd dient.
Gelukkig lag ik zo. Anders had ik moeten plassen.
Die kots landt op de vloer. Natuurlijk net op een moment
dat die walvissen even niet wisten wat zeggen tegen elkaar.
Hij zegt: Wat was dat?
Het zal een walvis zijn die water gespoten heeft, zeker?
Ik spring in mijn busje.
Ik rij nog ongelukkiger naar Gent terug dan ik in Poperinge was gearriveerd.
Na een paar kilometer denk ik: wat stinkt hier toch zo in de auto?
Ik zal toch niet in een hondenstront getrapt hebben?
In een reflex haal ik mijn voet van het gaspedaal,
tast ik met mijn hand aan mijn schoen
en ja, ik heb inderdaad in een hondenstront getrapt.
Maar om helemaal zeker te zijn, ruik ik er toch ook nog eens aan.
Want met voelen en ruiken ben je dubbel zeker.
Ik ben niet alleen dom, ik ben ook verstrooid.
Ken je dat woord? Een woord dat heel domme mensen gebruiken
om zichzelf tegen alle bewijzen van de werkelijkheid in
toch nog slim te kunnen vinden.
Dus verstrooid vergeet ik al na vijf minuten
dat er stront aan mijn hand hangt en neem mijn pook en mijn stuur vast
en ga zelfs eens door mijn haar.
En ik had het nog niet door. Weet je wanneer pas?
Toen ik dit deed.
Gestopt in het tankstation om mijn handen te wassen.
Moet je voorbij dat glazen poortje waar je 70 cent moet insteken.
Ik denk: geen enkel probleem.
Ik was mijn handen. Ik ga terug naar de auto.
Ik tank, mors op mijn handen, ga mijn handen nog eens wassen.
Weer 70 cent. Ik heb nu twee van die bonnetjes van 50 cent
die je in de winkel kunt besteden.
Zo'n kroket gekocht die ligt te zweten in de couveuse.
Ik heb er direct twee gekocht, want het was één bon per artikel.
Nog maar een paar km ver als ik voel dat het een slecht idee was
om die twee bejaarde kroketten direct na elkaar te eten.
Nog een paar km verder hopen dat ik maar moet schijten als ik thuis ben.
En nog een paar km verder valt mijn nieuwe bijenbusje in panne.
Ik kan nog net op tijd op de pechstrook parkeren,
net op tijd over de vangrail springen en net op tijd mijn broek laten zakken.
Iedereen aan de overkant toetert wel omdat ik voor de veiligheid
wel nog snel mijn fluorescerend hesje heb aangedaan.
De gast van de VAB stopt. Tiens, waar is die chauffeur nu?
En ik zeg: Hier. En ik zwaai met mijn rechterhand.
Helaas ook de steunhand waarmee ik me rechthield bij het hurken.
Hij ziet me nog net achterover vallen.
Met mijn fluorescerend bovenlijf en mijn bloot gat.
Hij zegt: Oei, maar dat is meer dan autopech, hoor.
Ik weet niet of ik daar de juiste Engelse sleutel voor meeheb.
Hij bekijkt mijn auto. Hij zoekt wat. Hij zegt:
Je hebt er toch geen naft ingedaan in plaats van diesel, hè?
Wat moet ik nu doen?
Moet ik dat nu met een rietje allemaal uitzuigen?
Nee, zie dat je diarree krijgt.
Hij belt zijn maat die een takelwagen heeft.
Die vond het fantastisch.
Nog nooit zo'n nieuw busje met zo weinig kilometers moeten takelen.
Of hij het vanboven mocht zetten? Hoewel het de enige auto was.
Dan zou het lijken alsof er een grote bij op zijn takelwagen zat.
Dat mag allemaal, als ik bij jou in de cabine mag zitten. Dat mocht.
Tot de volgende afrit. Dan deed hij...
De rest van de rit heb ik me enorm bekeken gevoeld.
In mijn busje.
Op de autostrade.
Boven op die takelwagen.
Om mezelf een houding te geven, had ik mijn stuur vast.
Weet je wat het belachelijkste was? In de bochten draaide ik mee.
Hij heeft me nog geholpen om het busje op de oprit te duwen.
Ik dacht: ik zou er beter in blijven kamperen ook.
Dat ik mijn huis niet nog vol stront smeer ook.
Wat is er eigenlijk aan de hand?
Er lukt niks meer.
Wat ga ik vertellen in de volgende voorstelling?
Normaal gezien vertel ik over morele inzichten die ik verwerf
en hoe ik die dan toepas in mijn eigen leven.
En jullie denken dan: amai, hij doet het toch allemaal maar, hè.
Ik heb het gevoel dat het goed is dat ik dat nog even herhaal
wat jullie normaal gezien denken.
Wat kan ik nog zeggen?
Dat ik minder vlees eet dan tijdens de vorige voorstelling?
Dat is ook zo.
Maar ik heb de vorige keer ook al verteld dat ik aan het minderen was met vlees
ten opzichte van de voorstelling daarvoor en dat was ook zo. Klopte.
Maar ik had in die voorstelling ook al gezegd
dat ik aan het minderen was van vlees.
Het eindresultaat zal niet zijn dat jullie denken:
amai, die eet enorm weinig vlees. Het eindresultaat zal zijn
dat jullie denken: amai, die moet vroeger nogal wat vlees gegeten hebben, zeg.
Ik dacht: ik begin met een mopje. Eén mopje.
Eén iets grappigs.
Dat je daarrond kunt beginnen te bouwen.
Best een beetje seksueel getint. Werkt altijd.
Wat ik praktisch zou vinden, is:
moest elk lichaamsdeel bestaan uit zwellichaampjes.
Dat je er een stijve versie van hebt en een slappe versie.
Je zit op een stoel, je hebt je benen even niet nodig.
En je voeten hangen hier.
Handig om je teennagels te knippen.
Als je klaar bent met knippen... En je handen hangen hier.
Bovenlijf niet nodig? En je hoofd staat hier.
Misschien dat voor de mannen eindelijk lukt
wat we in ons leven allemaal wel eens hebben geprobeerd.
Gratis binnen geraken in Bellewaerde
omdat je zogezegd kleiner bent dan 1m40.
Heel de nacht wakker gelegen. Geen oog dichtgedaan.
Ik hoor om acht uur de kinderen buitenkomen,
klaar om naar school te vertrekken.
Ze basketten nog even op de oprit.
Ik hoor mijn oudste zeggen tegen mijn jongste:
Ik denk dat we de komende tijd heel lief zullen moeten zijn voor papa.
De jongste zegt: Waarom? De oudste zegt:
Ik denk dat papa in een micri zit.
De jongste zegt: Hij heeft toch geen naastneuk, hè?
De oudste zegt: Nee, ik denk niet dat papa dat kan krijgen.
Met alles wat hij over zichzelf vertelt op het podium,
ik denk niet dat de streepjes daar opgewonden van worden.
En ze vertrekken naar school.
Ik denk: Serieus? Zou ik in een micri zitten?
Dat zou weer typisch zijn voor mij dat ik erin zit
en dat ik de laatste ben die het zelf doorheeft.
Een micri zonder naastneuk dan nog.
De saaiste micri dat je kunt hebben. Ook weer typisch.
Ik voelde dat ik het weer veel te serieus ging nemen, die micri.
Weet je wat? Weet je wat je doet, Wouter?
Vertel op het podium over die micri. Zo grappig mogelijk.
Dan zul je avond na avond zien dat de mensen daarmee moeten lachen
en op die manier zul je het leren relativeren.
Capitole, ik moet zeggen dat jullie vanavond
een belangrijke bijdrage hebben geleverd.
En achter je een doek, waarop er magnifieke kleuren passeren
en de intelligentste toeschouwers, de meest esthetisch begaafde
gaan direct doorhebben dat dat je gemoedstoestanden zijn
die voorbijtrekken op het canvas van je ziel.
En voor de rest is het misschien wel goed dat je dat toch nog even uitlegt.
En mijn jongens gaan meehelpen met de voorstelling ook.
Nog niet met tekst.
Dat is voor mijn internationale doorbraak.
Ik heb een groot stuk stof gekocht en twee scharen.
Zodra ze thuiskwamen, heb ik dat stuk stof opengelegd,
elk een schaar gegeven en ik heb gezegd:
Jongens, knip hier nu eens samen een mooie rechthoek uit.
Thomas, Matthias, Oscar, Cedric en Koen.
En Poperinge.
De Vlieger.
Zijn er hier mensen die in een micri zitten?
Steek even je hand omhoog, als je wilt.
Je mag mensen aanduiden, je mag mensen verklikken.
Ik wou nog een klein beetje levensadvies geven.
Moest het nu zijn dat je in een micri zit:
dat lijkt heel hard op een tweede puberteit.
Het verschil is: de eerste puberteit ga je vaak zonder partner in
en je komt er met partner uit. Bij een micri is het vaak omgekeerd.
Het is praktisch als je die partner kunt houden,
want vaak komt het allemaal nog in orde.
Hoe je dat kunt doen en hoe wij dat hebben gedaan, is:
ik heb regelmatig voor ons een bed and breakfast geboekt.
Je kunt zeggen: dat stelt niet veel voor. Voor mij wel.
Ik vind dat heel moeilijk om te zeggen, bed and breakfast.
Omdat ik door breakfast moet denken aan brood
en dan ben ik bang dat ik aan de telefoon ga zeggen:
Ik bel voor de bread and bekfast. Snap je?
De beste bed and breakfast die ik heb kunnen boeken,
was bij Frank en Marleen in Lommel. Wij daar naartoe, met het busje.
Het was een kamer op de eerste verdieping.
We zagen het busje vanuit de kamer.
De opluchting dat je daar niet moet in slapen.
Een ik-weet-niet-hoe-breed bed van 2m40.
Zijden dekbedovertrek met hetzelfde motief
als de twee zijden pyjama's die klaarhingen aan de kapstok.
Een regendouche.
Marjan stond eronder te roepen dat het fantastisch was.
Waar ik heel blij om was,
want de laatste keer dat het bij ons thuis binnen regende
was Marjan daar eigenlijk absoluut niet enthousiast over.
Wat had ik gedaan? Me uitgekleed, zijden pyjama aangedaan.
Mij verleidelijk gedrapeerd op de zijden dekbedovertrek,
dat ze me dadelijk zou zien liggen als ze uit de regendouche kwam.
Zo komt uit de regendouche.
Naakt, nat, nog druipend.
Ze zag mij niet liggen.
Dat motiefje van mijn zijden pyjama
moet exact overlapt hebben met die zijden dekbedovertrek.
Ik had mezelf gecamoufleerd. Ik heb moeten roepen: Koekoek.
Zij schrok keihard. Nu snap ik ook waarom.
Wat zag zij? Mijn hoofd, maar tot hier maar.
Mijn handen, maar tot hier maar.
Zij dacht dat ik door een terrorist was vermoord
en in stukken gehakt. Maar dan zou ik toch niet koekoek roepen?
Kom, doe je pyjama aan, dat ik hem zo rap mogelijk kan uitdoen.
Zo gezegd, zo gedaan.
We zitten op de zijden dekbedovertrek in onze zijden pyjama's
passioneel te zoenen. Maar plots denk ik: wacht eens.
Die zijderupsen hebben hier heel lang aan gekakt.
En dan gaan wij dat hier straks vol smurrie zitten smeren.
Ja, dus ik naar het kampeerbusje, plastic gaan halen.
Over die zijden dekbedovertrek gedaan.
Voor haar ging het dan niet meer, omdat het te hard kraakte.
Weet je wat? We doen de gordijnen dicht, we doen de lichten uit.
En dan beelden we ons in dat dat gekraak is dat wij
naakt op het strand liggen en dat gekraak is de branding van de zee
die onze naakte lichamen likt.
Zij wilde de lichten niet uitdoen,
omdat dat zou zijn alsof we bij ons thuis waren.
En waar betaal je dan voor?
Ja, je mag mij thuis ook betalen, hoor.
Ik heb me al dikwijls afgevraagd waarom ik dat eigenlijk allemaal gratis doe.
Je ziet: we zaten niet op het juiste spoor.
En dan moet je veranderen van locatie.
Ik heb haar meegenomen naar de oprit.
Naar het kampeerbusje. Want plots besefte ik:
al die zware symboliek is niet nodig.
Dat is gewoon een liefdeshippiebusje.
Het dak niet eens omhoog gezet. Gewoon beneden.
Plots was dat de plek waar ik het allerliefste was.
Met de persoon die ik het allerliefste zie.
Deed ik hetgeen ik het allerliefste doe.
Ze zei: Stop met Michael Jackson nadoen.
En kom in bed.
Het was fantastisch.
Glimmend van geluk en met gloeiende lichamen
gingen we de trap weer op naar onze bed and breakfast-kamer.
Daar deden we onze zijden pyjama's weer aan.
En beseften we dat we dat misschien beter eerder hadden gedaan.
Dan waren de buren niet zo hard geschrokken.
Marjan viel direct in een diepe slaap.
Ik heb de fout gemaakt om mijn gsm nog even te checken.
Drie gemiste oproepen van Frank en een voicemailbericht.
Dat ons busje enorm stond te trillen op de oprit.
Dat we toch eens moesten gaan kijken of er niks fout mee was.
Ik heb terug ge-sms't dat onze sint-bernardshond nog in de auto zat,
maar dat ik er straks nog wel een wandeling mee zou doen.
Dat is het raarste naspel dat ik ooit heb gedaan.
Gaan wandelen in een Limburgs bos met een ingebeelde sint-bernardshond,
in een zijden pyjama.
En ik was strontnerveus omdat ik geen kakzakjes mee had.
Toen ik terug op de oprit kwam, nog een paar keer luid geblaft.
En geroepen: Rustig, Bernie. Slaap nu maar.
Eindelijk in mijn zijden pyjama onder de zijden dekbedovertrek,
klaar om in die langverwachte diepe slaap te vallen.
Maar ja, zijde op zijde is enorm glad.
Nog vier keer uit bed gegleden 's nachts.
Ik ben pas in die diepe slaap gevallen
als Marjan al opnieuw onder de regendouche stond.
Dat heeft ook maar geduurd tot zij riep:
Wat is dat bruin in je haar? Ik wist het ook niet.
Ik heb gedaan...
wat ik in zulke situaties altijd doe. Ik heb eraan gevoeld en geroken.
Ik had geluk deze keer. Het rook naar karamel en chocolade.
Weet je wat dat waarschijnlijk moet geweest zijn?
Waarschijnlijk hadden Frank en Marleen de avond tevoren
ter verwelkoming op ons hoofdkussen
een Chocotoff klaargelegd.
Al uit het papiertje gedraaid, zodanig dat wij volledig konden ontspannen.
Ik moet daar met mijn hoofd op zijn gaan liggen.
Ik moet dat in mijn haar geslapen hebben.
Zelfs na drie kwartier onder de regendouche was het er nog niet uit.
Marjan, ik kan zo toch niet gaan ontbijten?
Zij denken dat we een sint-bernardshond hebben.
Wat gaan ze dan denken dat dat hier is?
Marjan zei: Ik heb de oplossing.
Ze liep naar het busje, ze kwam terug boven
en ik ben kunnen gaan ontbijten met een muts op
met een smiley op met een muts op.
Can't find what you're looking for?
Get subtitles in any language from opensubtitles.com, and translate them here.